Raddraaiers en cherubijnen Veldopnamen van Alan Lomax op 100 cd's verzameld

De Amerikaanse musicoloog Alan Lomax maakte sinds de jaren dertig vele duizenden uren opnamen van volksmuziek uit de Verenigde Staten, Europa en het Caribisch gebied....

'VERTEL EENS wat je zoal speelt, Wade.'

- 'Nou, meestal spelen we hier bij de openbare verkopen. Bij de Parsons Auction Company spelen we al veertig jaar.'

'Waarom laten ze je optreden hier?'

- 'Nou, we houden de mensen bezig. Als ze rumoerig worden, dan helpen we de boel glad te strijken door viool te spelen.'

'Voelen de mensen zich dan beter?'

- 'Yeah.'

Die dialoog speelde zich af in Hillsville, Virginia, op 28 augustus 1959. Wade Ward is een oude baas met een vrolijk wit hoedje op het hoofd. Hij is de banjospeler van de Buck Mountain Band, die verder bestaat uit gitarist Dale Poe en de 81-jarige violist Charlie Higgins. Wade staat ook wel bekend als clawhammer, vanwege zijn robuuste techniek.

De vragensteller tegenover hem is een donkere, gedrongen man van een jaar of veertig. Aan zijn korte haar, z'n verzorgde baardje en z'n keurige shirt kun je zien dat hij niet van hier is. Maar iets in zijn manier van doen heeft kennelijk het vertrouwen van de muzikanten gewonnen. Ze vertellen hem wat hij weten wil. En zodra hij is uitgevraagd, zetten ze Cripple Creek in, een instrumental die de grasduiners in andermans ongeluk bij de veiling een onrustige kijkdag moet hebben bezorgd.

Die man is de musicoloog Alan Lomax. Hij heeft inmiddels een grote koptelefoon op zijn hoofd, twee microfoons staan klaar. De bandrecorder loopt.

Duizenden avonden heeft hij zo gezeten, luisterend naar muziek en verhalen die al veel vaker dienst hadden gedaan. Duizenden keren is hij met zijn auto een zandweggetje ingedraaid. Dan stopte hij bij een bouwvallig huis, praatte wat, deed de kofferbak open en bracht z'n opname-apparatuur in stelling. Hij vroeg de zwaargestraften in de beruchte Angola gevangenis in Louisiana om hun liederen, hij zat op de veranda bij de hillbilly-oma Almeda Riddle. Hij ging als eerste naar de Sherrod Plantation waar een zekere McKinley Morganfield op blote voeten rondstapte, die later beroemd zou worden als de bluesman Muddy Waters. Bij The Old Whiskey Store in de krottenwijk stopte hij om Fred McDowell te horen. Hij maakte opnamen van de Alabama Sacred Harp Singers, die zo heten vanwege hun liedboek The Sacred Harp, waarin met ronde, vierkante, diamantvormige en driehoekige noten een duizelingwekkende samenzang wordt voorgeschreven. Hij was bij de wederdopers en de pinkstergemeente en hoorde blanke, zwarte en bruine stemmen. En nergens, niet in het oosten en niet in het zuiden, was enige ijdelheid te bespeuren.

Duizenden uren muziek heeft Lomax opgenomen. Niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in het Caribisch gebied en Europa. Die opnamen kwamen terecht in the Library of Congress en andere instellingen waarvoor hij werkte. Een deel ervan is in de jaren veertig en vijftig op langspeelplaat uitgebracht. Ze vormden de voornaamste aanzet tot de naoorlogse folk-revival, eerst in de Verenigde Staten, later in Europa.

Incidenteel werden artiesten zoals Leadbelly, Son House, Muddy Waters of Woody Guthrie op cd heruitgebracht. Atlantic presenteerde in 1993 een box met vier cd's: Sounds of the South, een bloemlezing uit de opnamen die Lomax in 1959 in de zuidelijke staten verzamelde. Maar de meeste opnamen zijn in de afgelopen dertig jaren onder een dikke laag stof bedolven.

De kleine Amerikaanse platenmaatschappij Rounder heeft de schone taak op zich genomen zijn nalatenschap opnieuw toegankelijk te maken. Lomax zelf kreeg een beroerte vlak voordat de onderneming in gang zou worden gezet. Hij schijnt nog wel eens aanwijzingen te geven, maar laat het leeuwendeel van het werk over aan zijn dochters, Anna Lomax Chairetakis en Bess Lomax Hawes. In de komende jaren zal op meer dan honderd cd's The Alan Lomax Collection verschijnen, een zorgvuldige bloemlezing uit meer dan dertig jaar veldwerk. Samen vormen die cd's een ultieme poging oost en west, oud en nieuw met elkaar te verbinden. De reeks maakt de tegenstelling tussen westerse en wereldmuziek op slag tot een etnocentristisch misbaksel. Alle muziek is wereldmuziek, laat Lomax ons horen.

Rounder verzamelde prachtige getuigschriften om het belang van de onderneming onder de aandacht te brengen. 'Alan Lomax is the most exciting musicologist of our generation', zegt de befaamde journalist en oral history-specialist Studs Terkel. Brian Eno noemt hem 'a completely central figure to twentieth-century culture', en David Byrne zegt: 'Here is a kind of vaccination against cultural boredom'. Maar ook etnomusicologen en antropologen betuigen hun steun.

Die diversiteit weerspiegelt zijn benadering. Lomax legde de volkscultuur vast met de precisie van een wetenschapper en de hartstocht van een kunstenaar. Zijn opnamen zijn tegelijk geschiedschrijving en amusement.

De meeste opnamen stammen uit de jaren veertig en vijftig. Maar het is niet de afstand in tijd die deze muziek zo totaal anders maakt dan alle muziek waaraan wij gewend zijn. Het werkelijke verschil schuilt in de intentie. Of het nu in een bar in de dokken van Genua is, of in een kerkje ergens in de Smoky Mountains, de muzikanten die voor de microfoon van Lomax verschijnen, zingen en spelen louter en alleen voor zichzelf en voor de mensen in hun directe omgeving. Hun muziek is er voor iedereen binnen gehoorsafstand, alle anderen zullen hen een zorg zijn. De muziek is ook ván het hier en nu, verbasterd, overgedragen van moeder op dochter, van de ene los werkman op de andere scharrelaar. Het is lokale muziek, waarbij individuele creativiteit er minder toe doet dan trouw aan de traditie. Wat niet verhindert dat in deze serie een stoet fantastische performers voorbijtrekt.

Die hier-en-nu-muziek kan dankzij Alan Lomax en zijn geluidsapparatuur ook onze oren bereiken. We horen Johnny Lee Moore en de penose van Kamp B van de Mississippi State Penitentiary zingen in Early in the mornin', begeleid door niets meer dan de droge klappen van de bijl in de stam van een boom. We zijn in een visserscafé in Calabrië in Italië, of in een stampvolle bar in Sevilla, we zijn op het eiland St. Lucia, waar de Creolen in hun bastaardfrans zingen over Luce-o, Luce mauvais. Of we reizen naar de Hebriden, eilanden voor de Schotse kust, waar Lomax in 1951 nog net de laatste flarden lokale cultuur kon vastleggen.

Hij trad met zijn veldwerk in de voetsporen van zijn vader, John A. Lomax. Toen hij van hem in de jaren dertig op reizen door het stoffige zuiden het vak leerde, deden ze met hun loodzware opnameapparatuur vooral geïsoleerde gemeenschappen aan. De rassenscheiding werkte nog onverbiddelijk, de grote stad was voor de arme zwarten en de white trash een grotere abstractie dan Jesse James of de lynchpartij van Scottsboro.

Na de oorlog kwam de wereld binnen handbereik. Muzikanten konden dankzij radio en grammofoon een anoniem publiek bereiken. Met een stem, een instrument en wat geluk kon je miljonair worden. Muziek groeide in enkele decennia uit van lokaal tot mondiaal verschijnsel. Overal waar Lomax met zijn opname-apparatuur naartoe reed, had hij de massacultuur op zijn hielen. Die had geen enkele belangstelling voor bergbewoners op leeftijd die zo aardig met de trekzak uit de voeten kunnen, of voor een omaatje dat zich elk woord van de ballade over de Hangman Tree herinnert.

In de eerste jaren na de oorlog kon Lomax nog naar hartelust reizen en opnemen. Amerika stond welwillend tegenover de cultuur van de armen die zoveel kanonnenvoer hadden aangedragen. Maar al voor 1950 was dat vergeten. Het Congres besloot de 15 duizend dollar subsidie voor het Archive of American Folk Music van de Library of Congress in te trekken. Voor Lomax een teken om te gaan.

Paradoxaal genoeg was het juist de massacultuur die hem in staat stelde zijn werkterrein te verleggen. Dankzij de steun van Columbia Records en zijn aandeel in de revenuen van Goodnight Irene, een song van de zwarte troubadour Leadbelly die hij ooit samen met zijn vader had opgenomen en die nu razend populair was, voer Lomax naar Europa. In zijn scheepshut stond een gloednieuwe Magnecord bandrecorder.

Hij vertrok voor een jaar, maar zou uiteindelijk acht jaar in Europa blijven. Eerst in Groot-Brittannië, waar hij voor de BBC radioprogramma's maakte. Daarna in Spanje en Italië, waar hij meer nog dan in Amerika de hete adem van de vooruitgang voelde. In Spanje werd zijn werk door het fascistische regime gezien als een gevaarlijke poging het zelfbewustzijn op het platteland wakker te schudden. De Italiaanse stedelingen haalden hun neus op voor de boerenkinkel-muziek die Lomax verzamelde.

'De musicologen van de eenentwintigste eeuw zullen onze tijd wellicht niet herinneren aan de hand van de naam van een school van componisten of van een muzikale stijl. Dit kan heel goed de tijd van de fonograaf genoemd worden, of van het gouden oor, waarin het vermogen om muziek te scheppen een tijdlang is overschaduwd door een gepassioneerde audio-nieuwsgierigheid. (. . .) Het werd belangrijker om alle muziek te beluisteren dan door te gaan met de enigszins muffige bezigheden die de symfonische traditie voorschrijft.'

Zo begon Lomax in 1960 zijn essay Saga of the folksong hunter. Hij was teruggekeerd in Amerika, had net een nieuwe reis door het zuiden van de Verenigde Staten gemaakt, en had gezien welke diepe sporen de vooruitgang had achtergelaten. De volksmuzikanten die hij twintig jaar geleden had aangetroffen, waren nu soms hoogbejaard. Nieuw talent was moeilijk te vinden.

Maar Lomax had zijn eigen criteria om muzikanten al dan niet vast te leggen. Hij luisterde naar hun integriteit, hoorde hoe in hun stemmen en woorden een gemeenschap als klankbord diende, hoe in een ballade over John Henry de geschiedenis resoneerde. Hij zocht naar oprechtheid, authenticiteit, overtuiging - criteria die in de hedendaagse populaire muziek amper tellen. Over z'n opnamen schreef hij: 'Er ontstaat soms een intimiteit die aan liefde raakt. De muzikant deelt z'n sterkste en diepste gevoelens met je, en als hij een folk singer is, kan dat gevoel de aard van een hele gemeenschap onthullen.'

De reeks van honderd cd's zoals Rounder die uitbrengt, begint met die Southern Journey, de reis waarop hij artiesten 'ontdekte' als Fred McDowell, Sid Hemphill en Texas Gladden. Daarna volgen de Prison Songs, in 1947 opgenomen in Parchman prison in Mississippi.

In 1962 ging Lomax voor vier maanden naar de eilanden in het Caribisch gebied. Hij reisde naar Martinique, Guadeloupe, Grenada, Tobago en St. Lucia, kreeg hulp van onder andere Derek Walcott, de latere Nobelprijswinnaar, en kwam terug met meer dan honderd uur muziek. Hij zocht er naar de Afrikaans-Amerikaanse erfenis, de muziek die de slaven uit Afrika hadden meegenomen. Ook die opnamen komen in de Lomax Collection.

Lomax was niet alleen veldwerker maar ook een gedreven theoreticus, die niets liever wilde dan al zijn vondsten herleiden tot twee hoofdstromen. De ene diepe rivier was de traditie van de West-Afrikanen: ritmisch, collectief, met een groot vermogen om te improviseren. De andere was de traditie van Noordwest-Europa, van de verhalende muziek, en de complexe harmonieën.

Die twee brede stromen vloeiden samen in Amerika, en vermengden zich tot gospel, spiritual, blues, jazz, en later hiphop, rap, hardrock, funk en alle andere genres en subgenres. Die stromen en hun doorwerking wilde Lomax in kaart brengen, zoals je met verschillende kleuren verf de wegen van het water in een delta zou kunnen volgen. Zo zou hij Prince en Madonna, The Red Hot Chili Peppers en Mariah Carey, Pavement en The Notorious B.I.G. kunnen herleiden tot erfgenamen van een traditie, tot regenboog-achtige muzikanten met een eigen kleuraccent. De ijkpunten van die Afro-Amerikaanse muziek worden in de reeks Deep River of Song vastgelegd. Bij wijze van eerbetoon aan een traditie die hij 'one of the most ancient, consistent, and fertile of world musical families' noemt.

Die grote Afro-Amerikaanse rivier is maar een van de vele stromen van muziek. Alle volksmuziek van de planeet in kaart brengen met een immense serie lp's - dat was het visioen van Lomax. Met hulp van platenmaatschappij Columbia raakte hij in de jaren vijftig een eindje op streek. Voor de Columbia World Library of Folk and Primitive Music stuurde hij correspondenten het veld in. Ze maakten opnamen in alle werelddelen: in Australië, Nieuw-Guinea, voormalig Frans-Afrika, Canada, Bulgarije, Japan, Korea, India en Indonesië (waar dr Jaap Kunst van het Tropeninstituut z'n veldwerker was).

Dat mondiale visioen heeft hem nooit verlaten. 'We hebben een alomvattend doel - een wereld met een veelheid van beschavingen, bezield door het visioen van culturele rechtvaardigheid.' Zo omschreef hij het in 1977 in zijn Appeal for Cultural Equity.

The Global Jukebox, een interactief computerbestand met gegevens over de wereldwijde verbanden tussen dans, muziek en sociale structuur, zou een volgende stap op weg naar de verwerkelijking ervan moeten zijn. In navolging van de evolutionisten vond Lomax dat de grootste verscheidenheid aan expressieve tradities altijd aan de mensheid ter beschikking zou moeten staan.

Mede door zijn ziekte is het werk aan de Jukebox vertraagd. Maar de cd-reeks heeft daar niet onder geleden. De eerste worp van zes cd's is inmiddels verschenen. Het gaat om opnamen van de Southern Journey, de reis die Lomax ondernam naar de staten die hij voor de oorlog met zijn vader zo vaak had doorkruist. Het was inmiddels eind jaren vijftig, rock 'n' roll woedde op z'n hevigst, maar daarvan is hier geen spoor te bekennen. De eerste cd Voices from the American South is een voorbeeldige introductie. Blank en zwart zijn hier verenigd, van Virginia tot de eilanden voor de kust van Georgia, van de ongenaakbare keiharde stem van Almeda Riddle tot de wonderbaarlijke polyfonie van de Sacred Harp Singers.

Ballads and Breakdowns, het tweede deel, bevat witte hillbilly en verhalende liederen van de Blue Ridge Mountains. Op 61 Highway Mississippi zijn delta-blues en worksongs bijeengebracht. Brethren, we meet again bundelt fascinerende blanke spirituals en preken. Bad Man Ballads verenigt muziek van en over bandieten. Zwarte muziek over zonde en verlossing staat op Sheep, sheep don'tcha know the road.

Zwarte of witte zielen, raddraaiers of cherubijnen - Lomax liet zich voor niemands karretje spannen. In september '59 was hij bij de gevangenis van Lambert, Mississippi, waar Ed Lewis met een paar langgestrafte maten over Tom Devil zong, die hij daar geregeld naast z'n brits aantrof:

Know soms folks say that the devil's dead;

I spied Tom Devil at the head of my bed.

Now go'way devil, devil, and leave me alone;

Gonna pray and do better from this day on.

Say, 'too late to pray,

You will have to die today'.

Lomax diende maar één heer, en dat was die van de muziek. Onder het motto 'de duivel moet niet alle mooie liedjes krijgen' was hij in diezelfde maand in de Thornton Old Regular Baptist Church in Mayking, Kentucky. Daar richtte voorganger George Spangler zich direct tot Lomax en zijn geluidsapparatuur: 'Deze jongeman hier met al z'n uitvindsels. Die zou heel goed het werktuig kunnen zijn van iemand die weet dat de liederen van Zion nog steeds gezongen worden.'

Waarna hij losbarstte in een lied. En de hele gemeente zong het hem na. Met lange halen die we dankij deze fantastische reeks cd's nu weer kunnen horen:

Brethren, we have met again.

The Alan Lomax Collection. Honderd cd's met de veldopnamen van Alan Lomax. De eerste zes cd's zijn inmiddels verschenen, op Rounder CD 1701 - 1706.

Meer over