Quik kan ook zonder muur en zaklamp

Vraag een willekeurige graffiti-schrijver - zeg nooit spuiter - wie Quik is, en reken op een meewarige blik. Een liefhebber van klassieke muziek vraag je toch ook niet wie Bach is?...

Quik is de godfather. De man van de eerste metershoge schilderingen of pieces die in de jaren zeventig overal in New York opdoken op muren en in metrotunnels. De pionier die de snelle handtekeningen of tags van gangs om hun territorium af te bakenen wegvaagde met de bubble-letter in explosieve kleuren.

Tegenwoordig moet je voor een echte Quik in het museum of een galerie zijn. Net als andere legendarische schrijvers van zijn generatie - Futura 2000, Seen en Blade - heeft hij de muur verruild voor canvas. Vandaag opent in de Rotterdamse galerie Mama zijn expositie Could a Black Man Be a Popartist?, bestaande uit negen doeken en veertien tekeningen.

De graffiti-kunstenaar mag dan net zo makkelijk naar acryl, een kwast en canvas grijpen als naar een spuitbus en een zaklamp, zijn doeken blijven graffiti-miniatuurtjes. Elke millimeter is gevuld met gedetailleerde cartoon-figuurtjes die in felle kleuren dansen over typografische hoogstandjes. Snel, direct en rauw, zo wil hij het. 'Een doek kan nooit zo'n impact hebben als een gigantische piece, maar de sfeer is net zo intens.'

Het uiterlijk van Quik - geboren Linwood A. Felton, New York, 1958 - beantwoordt in geen enkel opzicht aan de heersende vooroordelen over graffiti. Niks stoere b-boy met gouden kettingen en dure merkkleding, maar een onopvallend geklede, fragiele man met een gedistingeerd brilletje. Alleen de yo's, de motherfuckers en de fuck that's die af en toe zijn weloverwogen woordkeuze binnensluipen verraden een verleden in de straten van New York.

Zijn doeken zijn bladzijden uit hetzelfde dagboek dat hij als zwarte tiener op de New Yorkse muren schreef. 'Alleen geef ik nu commentaar op racisme, armoede en de oppervlakkigheid van Amerika.' Noem zijn werk dan ook geen graffiti meer. 'Please! Het is meer dan dat.' Zijn favoriete werk is een Amerikaanse vlag die hij in een lijst spande en beschilderde met een stervende zwarte man.

Maar kom ook niet aan met een diepgravende kunsthistorische analyse. 'De mythe van wilde kunst van jonge drop-outs die bij gebrek aan beter een muur als podium gebruiken gaat er bij mij niet in. Ik maakte dingen, mooie dingen dat wel. En dat doe ik nu nog.'

Natuurlijk, hij kent ze wel; Keith Haring, Jean-Michel Basquiat en die andere kunstenaars die begin jaren tachtig graffiti introduceerden in het kunst-establishment. 'Wij kwamen elke maandag met een groepje bijeen in een kelder in Harlem om schetsen aan elkaar te laten zien. Soms kwamen zij ook langs.' Maar zijn 'balharen gingen er niet van overeind staan'. Want met graffiti had het niets te maken. 'Het heeft geen soul. Voor hen was het een trucje, wij lééfden voor graffiti.'

Het waren de dagen van Run DMC, die verderop in een garage oefende, en breakdansers op elke hoek van de straat. 'Elke dag zette ik een piece. Zelfs toen ik voor IBM werkte en bakken geldverdiende, trok ik er 's nacht op uit. Als uitlaatklep.' Totdat hij op zijn dertigste weer eens in de cel zat. 'Al de nachtelijke achtervolgingen, de gewelddadige vetes met andere graffiti-crews, de arrestaties. Het was mooi geweest.'

Laat hem maar lekker in Groningen wonen. De stad waar Frans Haks hem begin jaren negentig zo hartelijk ontving met een expositie en waar hij ongestoord kan werken. 'Ik ben veertig met een dochter en een ex-vrouw. Ik moet rekeningen betalen.'

Of hij dan niet de drang voelt om 's nachts met spuitbussen onder de arm naar een verlaten rangeerterrein te lopen? 'Nou, euh, soms. . .', hapert hij en zwijgt. Maar in zijn ogen twinkelt het antwoord.

Meer over