Pygmalion: lekkere kitsch en meligheid

Na drie minuten al kippenvel. Dat komt niet door de acteurs, maar door de beelden. Op een groot, doorzichtig filmdoek zien we Rotterdam in zwart-wit, de haven, de stad....

Marian Buijs

De opmaat voor Pygmalion, de kerstproductie van het Ro Theater hakt erin. Het origineel van George Bernard Shaw speelt in 1915 in Londen, net als de musical, My Fair Lady. Deze bewerking van Ko van den Bosch is verplaatst naar Rotterdam in 1947. Vlak na de Tweede Wereldoorlog, de tijd van de wederopbouw, waarmee meteen een parallel is ingebouwd met de wederopbouw van Lieze, het bloemenmeisje dat door een talenprofessor wordt veranderd in een heuze dame.

Lieze Modderman, zoals ze hier heet, is in alle opzichten een naïef delletje. Een wijfje uit de goot. Ze praat een onmogelijk taaltje, geen bestaand dialect - Van den Bosch heeft er een ingenieuze kunsttaal van gemaakt. In de meest wonderlijke woordkronkels probeert ze haar dromen en gedachten de wereld in te sturen.

Loes Luca doet dat onnavolgbaar. Met haar rode krullende haardos is ze een hartverwarmend schepsel dat zich uitlevert aan twee iron ladies: professor Higgins (Olga Zuiderhoek) in een onmogelijk mantelpak en haar vriendin Claudia in een vergelijkbare outfit. Die twee sluiten op haar een weddenschap af: in drie maanden moet Lieze onherkenbaar zijn en zich kunnen bewegen in de hoogste kringen.

Regisseur Pieter Kramer heeft er in alle opzichten een feestje van willen maken. Door het verhaal te verplaatsen naar de lesbische kring rond Anna Blaman, zoals die heimelijk in Rotterdam heeft bestaan in de jaren vijftig, krijgen de scènes een lekker scabreus tintje. Vrouwen die elkaar in de billen knijpen, met champagneflessen in de mond en twee geleerde dames die steeds doller worden op hun pupil.

Telkens toont het draaitoneel afwisselend de straat en het huis van de professor: een damespension waar een al even manlijke pensionhoudster (Debbie Korper) de scepter zwaait en waar zich achter die keurige gevel af en toe orgieën afspelen.

We zien hoe Lieze worstelt met de taal, hoe haar wartaal wordt rechtgestreken en hoe ze zichzelf verliest. 'Damme asseme op me aller gevoel in begrijpsels worden gehakt imme gedresseerde mond.'

De afloop is bekend: zelfs een ontvangst bij de koninklijke familie (een ingenieus gemonteerd filmpje) doorstaat Lieze manhaftig. Maar daarna heb je met haar te doen. Is ze wel zoveel beter geworden van haar metamorfose? Of heeft ze alleen gediend ter meerdere eer en glorie van haar weldoenster? Wat moet ze, nu haar taal is gladgestreken? Ze hoort nergens meer bij.

Loes Luca slaagt er ondanks alle malligheid wonderwel in die gevoeligheid over te brengen. Iets waar haar tegenspeelster jammer genoeg geen kans toe ziet. Olga Zuiderhoek zou geloofwaardig moeten maken dat ze als professor diepere gevoelens voor haar eigen creatie is gaan koesteren. Dat lukt Zuiderhoek onvoldoende.

In haar hoekige mantelpak komt ze niet veel verder dan een karikatuur. Dat is het enige minpunt in een wervelende voorstelling waarin vooral de tekst triomfeert.

Het is alsof Van den Bosch een nieuw stuk heeft geschreven waarin hij onze halfslachtige levens met mildheid bekijkt. En de acteurs weten daar raad mee. Debbie Korper als de militante pensionhoudster, Ditha van der Linden als gestudeerde vriendin en de beweeglijke figuranten.

De groepsscènes zijn lekker kitscherig en geestig, aanhangend tegen de meligheid zoals we van Kramer zijn gewend.

Door alles heen is de weemoed voelbaar, de herinnering aan eerdere versies van het stuk die meeklinken via de muziek uit My Fair Lady, al wordt er maar een enkel liedje gezongen. Behalve die onverslijtbare theaterhit krijgt ook Rotterdam hier alle hulde. In een prachtig slot: daar kruipt opnieuw het kippenvel omhoog.

Meer over