De week in boekenPrijzen

Prijs voor misère die tot het ‘doodgewone bestaan van elke dag’ behoort

De Libris Literatuur Prijs ging naar een man die schreef over iets kleins, de C. Buddingh’-prijs naar een man die koos voor iets groots.

Jens Meijen, de winnaar van de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut. Beeld Catherine Lemblé
Jens Meijen, de winnaar van de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut.Beeld Catherine Lemblé

Klein maar groots, was het boek dat deze week de Libris Literatuur Prijs kreeg. De recensies bij verschijnen waren opvallend gelijkluidend: dit boek portretteerde ‘het doodgewone bestaan van elke dag’, ‘gewone gebeurtenissen van een gewone man’, ‘de grootsheid van het kleine’. Een mooi, effectief uitgangspunt. Want hoewel ooit haantjes als W.F. Hermans en Gerrit Komrij de dichter Vasalis met haar ‘eerbied voor de gewoonste dingen’ afserveerden als schrijfster van ‘damespoëzie’ en ‘familiegeslijm’, begrijpt verder iedereen dat zich in het gewone het ongewone kan tonen en dat grote schoonheid en inzicht heel goed tot je kunnen komen via iets kleins. De Librisjury, die afgelopen maandag Sander Kollaards Uit het leven van een hond bekroonde, legde het nog maar eens uit: hoewel dit boek ‘geen wereldschokkende gebeurtenissen’ bevat, laat het tóch zien waar het in een mensenleven om gaat. Mooie winnaar, Kollaard blij, hond ook.

Daarnaast was er de vrouw die een roman schreef over iets dat wel degelijk wereldschokkend is, en die ernaast greep. Behalve het gewone gekrakeel over gelijk of ongelijk van de jury gorgelden de sociale media van woede over het feit dat de Libris Literatuur Prijs in de 27 jaar van zijn bestaan drie keer naar een vrouw is gegaan. Of dat de schrijver van het overrompelende prachtboek – gedoodverfde winnaar Manon Uphoff – kan troosten is de vraag. Of het winnaar Kollaard plezier doet eveneens. Te denken zou het iedereen moeten geven.

Is het in de poëzie beter? Ietsje. De grootste prijs, de voormalige VSB Poëzieprijs, nu Grote Poëzieprijs, bekroonde in 26 jaar zeven keer een vrouw. De andere prijs die deze week werd uitgereikt, de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut, deed het een stuk beter: in 32 jaar bijna de helft vrouw! En de laatste jaren ook gewoon vijf op rij, hoera.

Dit jaar waren netjes twee mannen en twee vrouwen genomineerd. Iduna Paalman, Jérôme Gommers, Laurine Verweijen en Jens Meijen – die won. Met de grootste, veelomvattendste onderwerpkeuze die je je kunt voorstellen: klimaat, digitalisering, de wereld, de toekomst. Zijn bundel Xenomorf is niet alleen muzikaal, veelvormig en theatraal, hij stroomt over van woede en urgentie, van bittere moerassen vol plastic, wifiverbindingen, gletsjers, gezwollen vissen en onthutsende formuleringen: ‘wij schrijven samen een encyclopedie van het uitsterven.’ De hond van Kollaards personage Henk zou er verschrikt voor wegkruipen.

Maar het verontrustendst is dat al die misère wel degelijk tot het ‘doodgewone bestaan van elke dag’ behoort, net als het misbruik in Uphoffs Vallen is als vliegen. Uiteindelijk is het allemaal aan schrijvers om te laten zien. Meijen heeft gelijk: ‘De mens kreeg taal om het hoofd open te plooien / gedachte werd wereld, wereld werd gedachte.’

Meer over