Analyse

Prachtig, Amsterdam op 17de-eeuwse schilderijen. Maar het stónk er. Zodra het kan is het te ruiken in het Mauritshuis

Wie oplet, ziet verwijzingen naar de hemeltergende stank in de stad op schilderijen uit die tijd. Het Mauritshuis in Den Haag verzamelde ze, en reconstrueerde enkele geuren.

Jan van der Heyden, Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal met de Oude Kerk in Amsterdam (ca. 1670). Beeld Mauritshuis
Jan van der Heyden, Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal met de Oude Kerk in Amsterdam (ca. 1670).Beeld Mauritshuis

Op Jan van der Heydens schilderij Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal (ca. 1670), een gezicht op de Oude Kerk in Amsterdam met op de voorgrond de tonnensjouwers van de bierkaai, staat een eigenaardig detail. Je kijkt er makkelijk overheen, iemand moet je erop wijzen, maar wie het eenmaal ziet, denkt: verhip! Op de kade, links van het bruggetje, doet een wasvrouw de was, ze leunt met een arm op haar wasemmer, met de andere dompelt ze een stuk witgoed in het water, sop, sop, sop... – en dit alles op slechts enkele meters van een in de gracht lozend openbaar toilet (secreet).

Stel u hier die emoji voor die lijkt op Munchs De schreeuw.

Nu was deze wasvrouw waarschijnlijk een dichterlijke vrijheid van die schrandere Van der Heyden (of van zijn co-schilder Adriaen van de Velde, die vaak de figuren voor zijn rekening nam). Het verleden is een vreemd land, maar niet zo vreemd dat men het toen wel best vond om het witgoed uit te spoelen tussen de uitwerpselen. De gracht was sowieso geen plek om je kloffie eens goed door te halen. Een wasvrouw die dat dreigde te vergeten, werd eraan herinnerd door haar neus, zo leer je bij de tentoonstelling Vervlogen: geuren in kleuren in het Maurtishuis, over geur en reuk op 17de-eeuwse kunstwerken, die evengoed gaat over geur in het dagelijks leven. V keek er alvast rond.

De 17de eeuw was namelijk niet enkel de Gouden Eeuw of de Eeuw van Bloed. Ze was ook – en hierover zal iedereen het eens zijn, van nationalistische VOC-fanboys en -girls tot revisionistische activisten – de stinkeeuw. De 18de eeuw trouwens ook. En de 19de, man, wat kon die meuren... Maar de 17de eeuw was de eerste eeuw waarin stankoverlast voor het eerst niet langer een dingetje was: het was echt Een Ding. Over de oorzaak van die stank (een combinatie van exponentiële bevolkingsgroei en geografische karakteristieken) zo meer. Voor nu volstaat het om te zeggen dat je begeven in het Amsterdamse in die tijd vaak een beproeving vormde voor het reukorgaan.

Niet alleen in Amsterdam overigens. Elke (middel)grote stad in de Republiek kampte in die periode met stankoverlast: Den Haag, Gouda, Haarlem, Leiden, ze stonken allemaal. Leiden spande de kroon wat betreft het tarten van de neus. In het Rapenburg was het water zo smerig dat de vissen eruit wegtrokken. Een herinnering aan dit verleden vind je nog altijd terug in sommige straatnamen. Nog steeds tref je in verscheidene vroegmoderne steden een Stinksloot of Stinkgracht (en soms een Stinkmolen). De huidige Spuistraat in Amsterdam heette voordat hij werd gedempt (‘eene weldaad voor de bewoners en een sieraad voor de stad’) bijvoorbeeld Stinksloot. Maar in werkelijkheid kon elke Amsterdamse gracht tot in de 19de eeuw aanspraak maken op die titel.

null Beeld Joost Halbertsma
Beeld Joost Halbertsma

Bij toeristen had de stad, die tegen het eind van de 17de eeuw 200 duizend inwoners telde, en die aan de westkant werd begrensd door de Jordaan en aan de oostkant door de Plantage, de reputatie van een imposante stinkbom. Zij verkneukelden zich in hun reisverslagen over de olfactorische onverkwikkelijkheden van de metropool (de publicist Fred Feddes somde enkele van die beschrijvingen op in zijn boek 1000 jaar Amsterdam; ik her-citeer hier uit dat werk ). ‘De grachten ruiken ’s ochtends meestal walgelijk’, schreef de Engelse toerist John Walker bijvoorbeeld, ‘maar de gewenning maakt het voor de inwoners de gewoonste zaak van de wereld.’ En de eveneens Britse dichter Andrew Marvell had het op zijn beurt over ‘het onverteerde braaksel van de zee’ en ‘een waterig Babel’. De Franse filsosoof Denis Diderot was minder bloemrijk en beschreef Amsterdam kortweg als ‘een stinkende stad’. De broertjes De Goncourt, ten slotte, noteerden in hun beroemde dagboeken dat de Hollanders één ding eens goed moesten wassen: ‘hun water’.

Niemand maakte zich echter zo uitgebreid vrolijk over het penetrante bouquet van Amsterdam als de Franse satireschrijver Pierre le Jolle. De Fransman, zo schrijft Jaap Evert Abrahamse, onderzoeker stadsgeschiedenis bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, in zijn artikel over stank als 17de-eeuws milieuprobleem in de tentoonstellingscatalogus, produceerde een complete stadsbeschrijving in rijmvorm die hij opdroeg aan de ‘uitermate grove, uitermate smerige, uitermate onhandige, uitermate groezelige en uitermate domme Heren schoonmakers van de Amsterdamse grachten.’ Le Jolle was niet het minst onder de indruk van de stad die hij consequent aanduidde als ‘Uwe Roemruchte Vuilheid’. ‘Een stad gemaakt van stront en modder’, stelde hij fijntjes vast.

Amsterdammers zelf vonden trouwens ook dat hun stad bepaald geen Chanel No. 5 uitwasemde. Zo typeerde een bewoner zijn woonplaats in 1730 als ‘een schoone maagd met een stinkende adem’, en sprak de 19de-eeuwse stadsingenieur J.G. van Niftrik meer dan een eeuw later van ‘een oude lelijke vrouw wier gebit veel had geleden’. Voor sommige burgers volstond kwalijke mondgeur niet om de lucht in de stad te karakteriseren. ‘De Heeregraft’, noteerde een, ‘is vol magnificientie, maer stinckt als des duyvels aers.’

Op de leuke en mooi vormgegeven tentoonstelling in het Mauritshuis probeerde men die geur na te bootsen. Onder Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal vind je een pompje en een luchtverspreider, en wie daaraan ruikt, zou dezelfde geur opsnuiven als de bewoners op Van der Heydens schilderij. Die geur, herhaal ik nog maar even, bestond uit een melange van grachtwater en openbaar toilet, met als bonus een hoop paardenstront, zoals bijeengeveegd door een vlijtige schoonmaker.

U begrijpt: ik stond te popelen.

null Beeld Joost Halbertsma
Beeld Joost Halbertsma

Het viel mee. Deze gracht rook lekker. Ze rook eigenlijk niet echt naar gracht. Ze rook eerder naar bosgrond, omgeschept na een regenbui. Het betrof een publieksvriendelijke, kokhals-proof interpretatie van de beruchte 17de-eeuwse grachtenwalm. 17de-eeuwers mochten gewild hebben dat hun binnensteden ’s zomers zo roken.

De stank werd veroorzaakt door de uitwerpselen van paarden en honden, waarmee de straten rijkelijk bezaaid waren, en door de vuile industrieën aan de stedelijke periferie en waarvan de onaangename aroma’s bij een ongelukkige windrichting de bewoners in het gezicht bliezen. Maar de voornaamste bron van stank waren toch wel de grachten en kanalen zelf. Daar waren er in een stad als Amsterdam destijds veel meer van dan nu, en ze fungeerden als een soort open riool. Alles wat de neus gemeen kon raken, werd erin gemieterd: de inhoud van po’s en kakstoelen, huisvuil, vuil van de markt, slachtafval , de kadavers van huisdieren. De giftige rommel van leerlooiers en kalkblussers werd ook zonder pardon in het water gesmeten. Dat mocht allemaal niet, maar het gebeurde wel. Het was strafbaar, maar kennelijk waren de boetes niet dermate afschrikwekkend dat Amsterdammers al hun rommel netjes begroeven, verbrandden of in de beerput dumpten, als ze al zo’n put hadden.

Maar het probleem was niet alleen dat die dampende rotzooi in de gracht belandde. Het probleem was vooral ook dat het er bleef liggen. Omdat het Hollandse laagland vlak is, en de stroming van de rivieren zwak, vond er in de steden slechts beperkte doorspoeling plaats; een zwakke doorspoeling die nog eens werd belemmerd doordat een gelijke hoeveelheid stroomkracht werd verdeeld over een allengs groeiend stedelijk waternet met talrijke boezems, sluizen en waterpeilen. Gevolg: het stadswater was nagenoeg stilstaand water, stilstaand water gevuld met smerigheid dat lag te bakken in ’t zonnetje. Denkt u aan Amsterdam in die tijd, denk dan aan een slecht doorspoelend toilet.

null Beeld Joost Halbertsma
Beeld Joost Halbertsma

17de-eeuwers beschouwden die stank als een bedreiging voor de volksgezondheid. Lizzie Marx, die aan de Universiteit van Cambridge onderzoek doet naar de verbeelding van geur in de kunst van de Gouden Eeuw, schrijft in de catalogus dat stank werd gezien als een gevaar voor het fysieke welzijn. Onwetend van het bestaan van micro-organismen en overtuigd van het idee dat de menselijke huid poreus is, meende men dat kwalijke aroma’s konden leiden tot ziekten. Tot de pest bijvoorbeeld, waarvan er in de 17de eeuwe verscheidene epidemieën woedden. De geur van jouw in de lappenmand verkerende buurman, meenden velen, kon ook jou besmetten. En om zulks te voorkomen diende de kwalijke geur te worden bestreden met een lekkere. Een mix van rozenwater en azijn gecombineerd met welriekende kruiden gold bijvoorbeeld als een antidotum. Welgestelde burgers droegen het in tijden van ziekte bij zich in een pomander: een draagbare, vaak luxe vormgegeven parfumhouder, het Louis Vuitton-mondkapje van de 17de eeuw. Ook nam men allerhande maatregelen om de stank te bestrijden. Met name na een pestepidemie stonden zulke ordonnanties hoog op de agenda.

Die pogingen waren niet allemaal toonbeelden van doortastendheid. De meeste, vertelt Jaap Evert Abrahamse aan de telefoon, kenmerkten zich door het oud-Hollandse levensmotto: polderen en laten polderen. Toen een entrepreneur in 1650 bijvoorbeeld plannen aankondigde om een branderij voor walvistraan te bouwen ten oosten van Amsterdam, in de Watergraafsmeer, stuitte dat op veel protest vanwege de te verwachten stank. Het stadsbestuur velde een salomonsoordeel: de branderij mocht gebouwd worden, mits de werkzaamheden werden gestaakt wanneer er een stevige oostenwind woei.

Rigoureuzer, vertelt Abrahamse, waren de pogingen om de grachten op te schonen, projecten die lang laveerden tussen het onsuccesvolle en het ongerealiseerde. Men bouwde windmolens ter bevordering van de doorstroom, om erachter te komen dat het in de zomer, wanneer de noodzaak het grootst was, nagenoeg windstil was. Of men liet de Haarlemse schilder Jan de Braij een kolossale ‘vloeybak’ (waterbassin) ontwerpen, te bouwen in de nieuwe oostelijke wijk De Plantage, en bevoorraad met zoet water uit de rivier de Vecht, en liet het daar vervolgens bij...

De kostbaarste poging om de stank te bestrijden dateerde uit 1672, het rampjaar. In dat jaar, toen de Republiek tegelijk werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de Bisdommen Münster en Keulen, trok men maar liefst 151 duizend gulden uit voor een sluizencomplex in de Amstel. Deze sluizen bestaan nog altijd. U treft ze ter hoogte van theater Carré.

Met deze gevaarten kon men de stad aan de zuidkant afsluiten, waardoor het omringende Amstelland niet vervuild werd wanneer men het water uit het IJ gebruikte om de stad schoon te spoelen. Dat lukte. Half. Helaas betekende ‘half’ in dit geval precies niks. Het vuil spoelde bij eb weliswaar de stad uit, maar bij vloed stroomde het er net zo makkelijk weer in. Het bleef gewoon hangen achter de palen in het IJ, wachtend op de volgende getijdewisseling. Om de loodgieters-analogie nogmaals erbij te halen: nu was de stad geen kapotte wc-pot, maar een functionerende pot met een verstopte riolering.

null Beeld Joost Halbertsma
Beeld Joost Halbertsma

Pas ver in de 19de eeuw, vertelt Abrahamse, werd het probleem opgelost met een stoomgemaal bij Zeeburg. Omdat er intussen een kanaal tussen Den Haag en Scheveningen was gebouwd kon het smerige water worden afgevloeid naar zee. Bij Zeeburg staat nog altijd een gemaal (tegenwoordig elektrisch). Op zomerse dagen, wanneer de grachtenlucht in de stad te machtig wordt, wordt het nog weleens aangezet.

Maar in de eeuwen ervoor kenden stadsbewoners slechts één remedie tegen de stank: vluchten. Iedereen die het zich kon permitteren trok tussen mei en oktober, wanneer de geur op z’n ergst was, de stad uit, ongeveer zoals Parijzenaren en Romeinen dat nog altijd doen. Abrahamse: ‘Veel burgers hadden een huisje met tuin buiten de stad waar ze snel naartoe konden. Zo ontliep men de ergste geur.’

De meest welgestelden beschikten over meer dan een huisje. Zij trokken zich terug in hun omvangrijke buitenplaatsen aan de Amstel en aan de Vecht. De armen bleven noodgedwongen achter in in smerige, overbevolkte buurten zonder deugdelijk vuilophaalsysteem en zonder sanitaire voorzieningen. Zij moesten het doen met paardenmiddelen zoals ruiken aan een anjer (zoals het marktmeisje op Gerritsz Van Brekelenkams schilderij) of met de spreekwoordelijke knijper op de neus. Stinkzooi.

Vervlogen – geuren in kleuren, Mauritshuis, Den Haag. Zodra het Mauritshuis weer opent t/m 29/8.

Catalogus (paperback, Nederlandstalig en Engelstalig): Vervlogen – geuren in kleuren, Ariane van Suchtelen en Lizzie Marx. Waanders; 128 pagina’s; € 23,95.

Reconstructie van een geur

Vervlogen – geuren in kleuren in het Mauritshuis gaat over de weergave van geur op 17de-eeuwse schilderijen en prenten. Daarbij kun je denken aan voorstellingen met bijbelse en mythologische verhalen waarin geur een rol speelt, maar ook aan echte dingen met een luchtje: een bos rozen, een walvislijk, een kruidenierswinkel. Een van de aardigheden van de tentoonstelling is dat van sommige kunstwerken de afgebeelde geuren ook daadwerkelijk zijn te ruiken. In samenwerking met Caro Verbeek, onderzoeker op het gebied van olfactorisch erfgoed, en Bernardo Fleming van International Flavors & Fragrances werden die geuren gereconstrueerd – nou ja, een publieksvriendelijke interpretatie ervan. Hieronder een kleine greep uit die schilderijen en de begeleidende geur.

Jacob van Ruisdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden (ca. 1670-75). Canvas, 55,5 x 62,5 cm. Mauritshuis, Den Haag

Ruisdaels gezichten op de Haarlemse bleekvelden behoren tot de mooiste en geliefdste schilderijen uit zijn oeuvre. Gouden velden waarin het gebleekte linnengoed, uitgestrekt als telexvellen, ligt te drogen: de schilder kreeg er geen genoeg van. Die taferelen ogen idyllisch, maar hun geur was dat allerminst. Dat kwam door het maakproces. Het linnen werd gekookt in water en as en vervolgens gewassen in melkzuur. Het aroma dat daarbij werd afgescheiden was zeker geen traktatie voor de neus. In de tentoonstelling heeft men deze lucht vermengd met die van gras en textiel. Ruikt naar kots en krijt.

Jacob van Ruisdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden (ca. 1670 - 1675). Beeld Mauritshuis
Jacob van Ruisdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden (ca. 1670 - 1675).Beeld Mauritshuis


Pieter de Hooch, Binnenhuis met vrouwen bij een linnenkast, Rijksmuseum Amsterdam (bruikleen van de stad Amsterdam) (1663). Canvas, 70 x 75,5 cm.

In de Republiek kon je iemands financiële status afmeten aan het aantal onderhemden dat hij bezat. Paupers hadden een tot drie hemden, wie iets te verteren had, bezat er zo’n twaalf en een zeer vermogend man kon kiezen uit wel dertig hemden. In de kasten waarin het linnengoed werd opgeborgen werden vaak geurzakjes gelegd, waarvan de recepten afkomstig waren uit een ‘secreetboek’, een 17de eeuws-receptenboek. In de kast op De Hoochs schilderij lag wellicht ook zo’n geurzak. De nagemaakte geur in de tentoonstelling betreft een mengsel van rozenknoppen, kruidnagel en synthetische muskus.

Binnenhuis met vrouwen bij een linnenkast, Pieter de Hooch (1663). Beeld Rijksmuseum
Binnenhuis met vrouwen bij een linnenkast, Pieter de Hooch (1663).Beeld Rijksmuseum

Anoniem, Portret van Maria Schuurman (1599-1600). Paneel, 114 x 83,5 cm. Rijksmuseum, Amsterdam

Het raadselachtige object aan Maria Schuurmans ceintuur is een pomander. Dat was een (vaak) verguld sieraad dat een aangename geur afscheidde – vooral rijke burgers van het vrouwelijke geslacht droegen er een. Sommige pomanders bestonden uit één compartiment waarin meerdere kruiden zaten, bijeengehouden door een gom; anderen bevatten meerdere compartimenten, elk met een aparte geur. De geuren in een pomander konden variëren afhankelijk van het seizoen. In het Mauritshuis treft je er een voor de zomer (sandelhout, foelie, citroenschil, rozenwater, mirte, kaneel, saffraan, kamfer, ambergrijs, eivet, muskus en verscheidene harsen ) en een voor de winter (muskus, eivet, kruidnagel, lavendel, cypres, iriswortel, kalmoes,, ambergrijs en enkele harsen).

Portret van een vrouw, waarschijnlijk Maria Schuurman (1575-1621), anoniem (ca. 1599 - ca. 1600).  Beeld Rijksmuseum
Portret van een vrouw, waarschijnlijk Maria Schuurman (1575-1621), anoniem (ca. 1599 - ca. 1600).Beeld Rijksmuseum

Goud, wierook en gomhars

Op een stille nacht wordt Christus geboren. Zeventien dagen later staan er drie Koningen op de stoep. Ze brengen cadeaus mee: goud, wierook, mirre. Die eerste twee kennen we, maar wat is mirre? Het is een ‘gomhars gewonnen uit bomen van het geslacht Commiphora, inheems in Noordoost-Afrika’. Er werd traditiegetrouw een heilzame en zelfs genezende werking aan toegeschreven. De bittere geur van mirre zou vooruitwijzen naar Christus’ lijden.

Klassieke feromonen

Soms speelt geur een rol in de plot van bijbelse en mythologische verhalen. In het verhaal van Armida en Rinaldo bijvoorbeeld (Willem van Miers schilderij ervan hangt in de tentoonstelling). Het speelt zich af tijdens de eerste kruistocht naar Jeruzalem. Armida heeft Rinaldo door een zeemeermin in slaap laten brengen en staat op het punt om hem te vermoorden, maar wanneer ze hem ziet en ruikt (feromonen!) wordt ze op slag verliefd op hem. Ze ketent hem met een streng bloemen en sleept hem mee naar haar kasteel.

Meer over