Postuum: Hollywood leerde van Hopper

Zaterdag is acteur Dennis Hopper (74) aan prostaatkanker overleden.

Door zijn doktoren al opgegeven, maar op de valreep nog ingelijfd als bona fide Hollywood-ster. Zoals dat hoort: met een plaatsje op het trottoir, tussen al die andere grootheden, van Mickey Mouse tot Marilyn Monroe. ‘Alles wat ik heb geleerd, leerde ik in Hollywood’, mompelde Hopper zijn dankwoord, waarna de omstanders applaudisseerden.

Klap tegen de grond

Wie de zaterdag aan prostaatkanker overleden Hopper veertig jaar geleden zo’n einde had voorgespiegeld, zou vermoedelijk met een goed gerichte klap tegen de grond zijn geslagen. Als regisseur, co-scenarist en acteur van Easy Rider (1969) vormde Hopper eind jaren zestig en begin zeventig de belichaming van de tegencultuur. Bladen als Time en Life plaatsen hem op de cover, en eerden hem als een visionaire rebel die de artistieke Amerikaanse film nieuwe leven inblies. Hollywood had Hopper niks te leren, Hollywood leerde ván hem. Dat een voor 375.000 dollar gemaakte avant gardistische film met veel drugs en rockmuziek ruim 50 miljoen kon opbrengen, bijvoorbeeld.

Een succes-fou was het, Hoppers roadmovie Easy Rider over de twee drugssmokkelende hippies Billy en Wyatt (Hopper en Peter Fonda), die op de motor het conservatieve Zuiden van Amerika doorkruisen, en onderweg een aan lager wal geraakte advocaat oppikken en hem hasj leren roken (Jack Nicholson, voor de film onbekend, sindsdien een ster). Easy Rider zinspeelde ook – profetisch – op de dood van het hippie-idealisme, samengebald in het klassiek geworden filmcitaat van ‘captain America’ Wyatt: ‘We blew it’. Hopper liet de vrijheidsdrang van de motorrijders eindigen in financieel gewin, en een spiritueel echec.

Jeugdcultuur

Het effect van Easy Rider was aanzienlijk, en bewoog de conservatieve Amerikaanse filmstudio’s (tijdelijk) de poorten te openen voor alles wat maar raakte aan jeugdcultuur. De sociaal onaangepaste, zwaar drank- en drugsverslaafde Hopper kreeg zelf carte blanche bij zijn volgende filmproject; The Last Movie. Die in Peru opgenomen film-in-een-film moest alle andere films overbodig maken; Hopper sloot zich een jaar op om uit bijna 40 uur filmmateriaal het gezochte meesterwerk bijeen te monteren. Met het resultaat won hij in 1971 nog wel de grote prijs van het filmfestival van Venetië, maar The Last Movie werd in eigen land neergesabeld, slecht bezocht en al snel op de ‘plank’ gelegd – er is zelfs nooit een video of dvd-versie van uitgebracht.

Hopper gaf later toe dat hij, in zijn opzet om het publiek doelbewust van de film te vervreemden, wellicht wat te ver was gegaan. Het kostte hem zo ongeveer zijn carrière: tien jaar lang kwam hij als regisseur niet meer aan de bak. En alhoewel hij later met het grimmige drugsdrama Out of the Blue (1980) en de vroege gang-film Colors (1988) aantoonde meer te zijn dan een eendagsvlieg, zou het hem nooit meer lukken om de hoge verwachtingen in te lossen. Dat voedde ook de geruchten dat het succes van Easy Rider meer te danken was aan de ‘omstandigheden’ dan aan Hopper. De derde scenarist Terry Southern heeft tot zijn dood volgehouden dat Hopper en Fonda (die ook een scenario-credit kreeg) niks aan het script bijdroegen; ‘ze konden nog niet eens een brief schrijven’. In zijn bestseller Easy Riders, Raging Bulls, over de met veel drank, drugs en megalomanie gepaard gaande opkomst en ondergang van de generatie Amerikaanse regisseurs van de jaren zestig en zeventig, beschrijft Peter Biskind hoe Hopper een vierenhalf uur lange versie van Easy Rider inleverde, die geheel buiten hem om, en tot zijn woede, tot anderhalf uur werd teruggebracht – de versie die nu als klassieker geldt.

Boerenzoon

Zijn huidige sterrenstatus dankt Hopper bovenal aan zijn werkzaam leven als acteur. Nauwelijks 18 was hij, boerenzoon uit Dodge City (Kansas), toen hij onder contract kwam van Warner Bros., en naast James Dean te zien was in klassiekers als Rebel Without a Cause (1955) en het Texaanse olie- epos Giant.(1956) Deans doorleefde method-speelstijl zou Hopper blijvend beïnvloeden, maar deed hem ook botsen met het oude Hollywood-gezag. Na een hoog oplopende ruzie met veteraan-regisseur Henry Hathaway op de set van de western From Hell To Texas (1958) viel Hopper in Hollywood uit de gratie. De jonge acteur week uit naar New York, waar hij zich liet bijscholen door de fameuze Lee Strasberg en diens Actors Studio.

‘Ze hebben me nooit grote rollen gegeven’, heeft Hopper ooit eens gezegd, in een terugblik op zijn carrière, die grofweg 150 films telt. Dat is ten dele waar. Filmfinanciers en studio’s zagen in hem geen ideale leading man, maar grote bijrollen speelde Hopper wel. Zoals de gas-inhalerende, seksueel geperverteerde maniak Frank Booth in Blue Velvet (1986). Hopper las het script, en belde regisseur David Lynch op: ‘Je moet me Frank Booth laten spelen, want ik bén Frank Booth’.

Eerste rol

Het was zijn eerste rol nadat hij afkickte van de drank en drugs. Eerder was het onderscheid tussen Hopper de mens en Hopper het personage ook voor regisseurs soms maar moeilijk vast te stellen. Wim Wenders, die hem regisseerde in Der amerkanische Freund, memoreert op de dvd-uitgave van die film hoe Hopper eind jaren zeventig uit het vliegtuig stapte in Duitsland, rechtstreeks van de set van Apocalypse Now op de Fillipijnen. Vier, vijf fototoestellen om zijn nek, open wonden op zijn benen, onder invloed van drugs en suicidiaal; precies zoals de doorgedraaide fotograaf die hij speelt in Coppola’s oorlogsopera, een van zijn meest memorabele rollen.

Fotograaf

Behalve acteur en regisseur, was Hopper ook een meer dan verdienstelijk fotograaf, die in de jaren zestig werkte voor bladen als Vogue en Harper’s Bazaar. Zijn zwartwit-fotografie uit die tijd maakte in 2001 deel uit van een overzichttentoonstelling – Hoppers eerste ooit - in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een idee van directeur Rudi Fuchs, die Hopper presenteerde als beeldend kunstenaar, en hem hielp bij het selecteren van zijn schilderijen, foto’s en collages. De kunstkritiek, in binnen- en buitenland, kraakte het werk; Hopper was te weinig oorspronkelijk om de vergelijking aan te kunnen met de dada en pop art-kunstenaars, van wie hij al jaren kunst verzamelde.

Hopper hulde zich graag, en soms met zelfspot, in de tragiek van de alleskunner: ‘Fotografen zagen me als een acteur, schilders als een fotograaf, en acteurs¿ nou, Paul Newman zei ooit tegen me: je zou je eigenlijk op schilderen moeten concentreren.’

Hopper werkte tot kort voor zijn dood, en was de laatste jaren onder meer te zien als megalomane muziekproducent in de tv-serie Crash, een spin-off van de Oscar- winnende film. Hij liet zich kort voor zijn dood scheiden van zijn vijfde vrouw, en laat vier kinderen na.

Dennis Hopper in 2008 (AP) Beeld AP
Dennis Hopper in 2008 (AP)Beeld AP
Dennis Hopper (AP) Beeld AP
Dennis Hopper (AP)Beeld AP
Meer over