Review

Posthuma gaat ogenschijnlijk argeloos te werk

Een argeloos leven, fraai geformuleerd in de debuutroman van Jente Posthuma.

Beeld Elspeth Diederix

Niet door de opzienbarende avonturen maar door de stijl blijft het boek boeien.

Een meisje van 13 dat nauwgezet kijkt en luistert hoe haar vader met smakgeluiden zijn cruesli verorbert, en dat jaren later in groepstherapie belandt omdat ze overmatig piekert en zich stoort aan de geluiden van anderen, tot en met hoorbaar ademen, daar is iets mee. Zou je denken.

Maar het bijzondere aan Mensen zonder uitstraling, de debuutroman van Jente Posthuma, is dat de vertelster die haar eerste veertig levensjaren uit de doeken doet, ogenschijnlijk argeloos te werk gaat. Een beetje verbaasd is ze door het leven gerold. Haar moeder, een mislukt actrice, stierf aan kanker toen de vertelster nog een kind was, en haar vader, een half gelukt hoofd van een psychiatrische inrichting, probeerde er het beste van te maken.

En wie is zij zelf? Ze wil een boek schrijven, ze studeert, ze zit een tijdje in Parijs en ze schrijft interviews. Dat vernemen we tussen neus en lippen, en dat correspondeert met wat Jente Posthuma in de afgelopen jaren over zichzelf heeft verteld: ze studeerde literatuurwetenschap, ze maakte interviews voor De Groene Amsterdammer en nrc.next, schreef korte verhalen in Hollands Maandblad en De Revisor, en voor het kortste won ze in 2012 de A.L. Snijdersprijs.

Piekerperiode

Een wonderkind, had haar moeder graag gewild. Die verwachting zadelde haar dochter op met de dwang om uit te blinken. Maar waarin en waarmee? Op het dieptepunt van haar piekerperiode bedenkt ze: 'In mijn eentje kreeg ik bijna niets voor elkaar. Terwijl andere mensen van mijn leeftijd op terrastafels dansten, staarde ik elke avond naar het systeemplafond. Er was geen reden om te denken dat ik er over twintig jaar niet meer zou liggen, als de anderen al bijna volwassen kinderen hadden, een bloeiende carrière en een grachtenappartement met veel lichtinval en originele brede vloerdelen.'

Dat slot, met die vloerdelen, is zeer origineel, maar de vertelster doet of ze zich dat zelf niet bewust is.

Mensen zonder uitstraling (fictie). Jente Posthuma. 4 sterren. AtlasContact; 173 pagina’s; € 19,99.

Mooie kont heb je, krijgt ze meer dan eens te horen. 'Dit zijn de beste jaren van mijn kont, dacht ik weemoedig, en ik doe er zo weinig mee.' Om die formuleringen (weemoed kun je ook bij voorbaat hebben, dus terwijl de kont nog goed is) lees je Posthuma. Aan opzienbarende avonturen doet ze niet.

Sterfbed

De stijl voorkomt dat je de interesse in de doorsnee hoofdpersoon verliest. Toen ze nog in een coffeeshop werkte, kwam daar een schrijver wiens hoogtepunt van de woensdag de manier was waarop ze hem altijd even recht aan keek. 'Op den duur verschoof het hoogtepunt van zijn woensdag naar de avond, als we seks hadden op zijn bank of in zijn bed.' Wie is die vent, zit er niets tussen aankijken en meteen samen in bed gaan liggen, waaruit bestond de seks en wat vónd ze daar eigenlijk van? Dat zijn niet de vragen waar de vertelster mee zit, veel overkomt haar, en als ze als late dertiger een kind krijgt (de bronstige maar gebonden schrijver is inmiddels door een stoet stoethaspels opgevolgd), staat er eenvoudig: 'De baby heette Bob', alsof dat haar is meegedeeld, en ze het heeft te accepteren.

Het laatste hoofdstuk is het mooist. Ruim dertig jaar na moeders dood weet de dochter nog precies hoe het er aan het sterfbed aan toeging; dat ze moeder voorlas uit Bezorgde Ouders van Gerard Reve (waaruit Posthuma citeert zonder de boektitel te noemen, misschien omdat die in deze context ongepast is), en hoe ze naar de drogist ging om een plantenspuit te kopen. 'Is het voor grote of kleine planten', vroeg de verkoopster. 'Voor mijn moeder, zei ik.' En ze koos de kleinste.

Meer over