Pornografie voor puzzelaars

Achterover leunen is er niet bij, bij het lezen van de grafische romans die onlangs in het Nederlands zijn verschenen....

Zit een striptekenaar in de kroeg, komt er een criticus langs: ‘Wanneer zijn strips strips en wanneer zijn strips literatuur?’ Veertien tekenaars geven antwoord op die vraag in het kersverse tijdschrift Eisner, waarmee uitgeverij Podium inhaakt op de toenemende populariteit van de grafische roman. De ondertitel van het blad luidt ‘Beeld Verhalen’, met een spatie tussen beide termen om te benadrukken dat we hier met een dubbelloops genre te maken hebben, dat tegelijk visueel en verbaal werkt. Eigenlijk is die spatie niet op z’n plaats, want in een geslaagde strip zijn het letterlijke en het figuurlijke onscheidbaar.

Eisner verwijst naar Will Eisner, de Amerikaanse tekenaar die in 1978 in het voorwoord van zijn boek A contract with God een lans brak voor het betere beeldverhaal en sindsdien steevast met het verschijnsel wordt vereenzelvigd. Maar het was een zekere Richard Kyle die in 1964 op de proppen kwam met de benaming ‘graphic novel’ omdat hij zich ergerde aan de kinderachtige associaties die aan de naam ‘comics’ kleven.

Eisner was al een gevestigd tekenaar, bekend van superheld The Spirit, toen hij kennismaakte met de undergroundstrips van Robert Crumb en consorten, mensen die in de woorden van Eisner zelf ‘het establishment belaagden met een sterk en toegankelijk literair wapen. Strips werden ingezet voor politiek protest, persoonlijke ontboezemingen, sociale kritiek en seksuele bevrijding’. Ook in het blad Eisner is die mix aanwezig, al moeten de binnen- en buitenlandse tekenaars het door de bloemlezingvorm kort houden.

De langste bijdrage is van Peter Pontiac, zelf een ouwe getrouwe in undergroundkringen, die een personage opvoert met een groot vraagteken in plaats van een gezicht: De Twijfelende Tatta. Via deze figuur maakt Pontiac een reis door zijn verleden waar hij op zoek gaat naar ontmoetingen met Marokkanen en andere moslims, om zich te bevrijden van het drukkende anti-muzelmannen-debat. Is de lezer ook ‘Boerkamoe? Uitgegeert? Islamgeslagen?’ Dan kan hij op verhaal komen met de nuanceringen van het wandelende vraagteken.

Een stuk abstracter gaat het toe op de achterkant van het tijdschrift, waar Greg Shaw een hoeveelheid vierkante blokjes heeft geplaatst waarvan de betekenis met hulp van een legenda kan worden geduid. Op die manier heeft hij drie ‘verhalen’ weten te construeren: over normale masturbatie, over masturbatie als slaapmiddel en over een vrijpartij die wordt onderbroken door telefoongerinkel. Pornografie voor puzzelaars, seks als denksport. Niet alle kleurencodes uit de legenda zijn door Shaw gebruikt, zoals zwart (‘Betrapt’), oranje (‘Lust’) en groen (‘Paniek’), dus er zijn met deze karige middelen nog veel meer scabreuze verhalen te vertellen.

Als je de abstraherende Shaw combineert met de twijfelende Pontiac kom je uit bij het pas vertaalde boek Zwaluwenspel van Zeina Abirached. Zij is een Libanese tekenares die opgroeide in het Beiroet van de jaren tachtig, toen de stad in tweeën werd gedeeld door de Groene Lijn. Christenen waren gescheiden van de moslims en scherpschutters maakten het onmogelijk om je op straat te begeven.

Abirached brengt nauwkeurig in beeld hoe de verlaten straten eruitzagen en welk spoor je moest volgen om de kogels te ontwijken, maar het grootste deel speelt zich binnenshuis af, waar de kinderen gespannen zitten te wachten tot hun ouders thuiskomen. In die wachttijd vertelt Achirabed haar verhaal, wat het een Sheherazade-achtige spanning geeft. Om veiligheidsredenen wordt maar één vertrek in het huis gebruikt, de entree, zodat ook de eenheid van plaats is gegarandeerd. Strakke structuur, strakke tekeningen.

Abirached is stilistisch sterk beïnvloed door Marjane Satrapi (wier autobiografische beeldverhaal in vier delen, Persepolis, de eerste Iraanse strip was) en haar leermeester, de Franse striptekenaar David B.. Beiden gebruiken ook een rigide zwart-wit zonder arceringen of zichtbaar handschrift. ‘Kleur oriënteert de lezer te veel’, zegt ze streng. Het is juist de bedoeling dat de lezer moeite doet, de mouwen opstroopt en de soms mechanisch aandoende beelden verlevendigt met zijn eigen emoties.

Precies het tegenovergestelde gebeurt bij stripmaker Berend J. Vonk, schepper van personages als Betonnen Vriend, het Varken Valdez en Hengstje Ambras. Grafische romans tekenen vereist voor Vonk een te lange adem, daarom zijn in het album Avonturen, avonturen alleen korte verhalen bijeengebracht, die hun kortheid compenseren met een overdaad aan emotie. Angst, paniek, lust, frustratie, depressie, hysterie, agressie, nog meer lust: Greg Shaw zou er een uitbundige legenda bij kunnen maken. Verhaaltechnisch is er vaak geen touw aan Vonks anekdotes vast te knopen, maar wat zijn boek tot een eenheid maakt is zijn stijl, die uit duizenden te herkennen is. Niemand tekent mooiere en gekkere neuzen dan Vonk, en vooral de neusvleugels – maar dit is voor de fijnproevers – zijn exquise.

Om nog even terug te komen op de criticus: bij Vonk zijn strips strips.

Meer over