Plutocrats

Het verschil tussen de hardwerkende klasse van miljardairs en de rest van de wereld neemt razendsnel toe. Welkom in de winner-take-all-economie

Hans Wansink

Naguib Sawiris is een Egyptische telecommiljardair, maar ook een supporter van de opstandelingen op het Tahrirplein. Hij verbaasde zich tegenover financieel journaliste Chrystia Freeland over de roofzucht van de autocraten in de ontwikkelingslanden. 'Nooit van mijn leven heb ik begrepen waarom al deze stelende dictators niet gewoon een miljard achterover drukken en de rest van de welvaart aan de bevolking besteden.' Freeland was op haar beurt verbaasd over het bedrag van een miljard dollar dat Sawiris de dictators klaarblijkelijk wilde gunnen. 'Is één miljard dollar de norm in jouw wereld?' Sawiris antwoordde bevestigend: 'Om de fringe benefits, de boot, het vliegtuig, te bekostigen heb je wel een miljard nodig. Ik bedoel, dat is mijn minimum als ik zou moeten inkrimpen.'

Chrystia Freeland beweegt zich al twintig jaar tussen de nieuwe rijken over de hele wereld, voor de Financial Times, The Economist, de International Herald Tribune en nu voor Thomson Reuters. Ze was als correspondent in Moskou toen de oligarchen zich meester maakten van de Russische staatsbedrijven. In haar woonplaats New York loopt ze in en uit bij de bankiers op Wall Street. Een keur van plutocraten behoort tot haar vriendenkring, van speculant en weldoener George Soros, via Aditya Mittal van het gelijknamige staalconcern tot Google-tycoon Eric Schmidt.

Maar Plutocrats is veel meer dan een portret van de superklasse van miljardairs die de wereld overvliegt om de economische en politieke omstandigheden naar hun hand te zetten. Het is ook een schets van de winner-take-all economie, waarin de verschillen tussen de rijkste 0,1 procent en de rest van de wereld razendsnel toenemen. Freeland mobiliseert daarvoor een nieuwe generatie toonaangevende economen en sociale wetenschappers, onder wie Daron Acemoglu, James Robinson, Emmanuel Saez, Raghuram Rajan en Alan Krueger.

Saai wordt haar verhaal nergens, tabellen en grafieken worden de lezer bespaard. In plaats daarvan grossiert ze in aansprekende anekdotes. Zo illustreert Freeland de tweedeling in de samenlevingen met de 'zandlopertheorie' van de Amerikaanse bank Citigroup: een slimme investeerder koopt aandelen in producenten van luxegoederen als Saks die aan de superrijken leveren én aandelen in 'deep discounters' als Family Dollar. Want als de middenklasse wordt uitgehold, geldt dat ook voor de bedrijven die aan de middenklasse leveren. De Citigroup Zandloper Index steeg tussen december 2009 en september 2011 met 56,5 procent, terwijl de Dow Jones Industrial Average index in dezelfde periode bleef steken op een stijging van 11 procent.

Bijzonder aan de nieuwe wereldelite is dat het om hoogbegaafde, hardwerkende selfmade men gaat (vrouwen komen er niet aan te pas). De typische miljardair is wat Freeland een alpha geek noemt: een combinatie van een alfamannetje en een whizzkid. Een kind van slimme buitenstaanders: vaak geëmigreerde kenniswerkers of, zoals in Rusland, nog altijd gediscrimineerde Joden. Op een doodgewone openbare school begonnen ze op hun twaalfde te speculeren in aandelen of computerprogramma's te schrijven. Ze kwalificeerden zich vervolgens met gemak voor topuniversiteiten als Harvard of Stanford, waar ze in de marge van hun bètastudies hun eerste lucratieve business opzetten. Je vindt ze in Bangalore, maar ook onder de ingenieurs in de top van de communistische partij in China. Carlos Slim, de Mexicaanse telecommagnaat en rijkste man ter wereld, dankt naar eigen zeggen zijn fortuin aan het gemak waarmee hij met getallen kan omgaan.

Slim was in 2012 goed voor 69 miljard dollar, dit is gelijk aan 6 procent van het nationaal inkomen van Mexico. Slim verdiende dat jaar evenveel als het gemiddelde inkomen van ruim 400 duizend Mexicanen. Pleeg je in dat land een telefoontje, steek je een sigaret op, ga je naar een bank, pak je het vliegtuig of de fiets: elke keer betaal je enkele pesos aan Carlos Slim. Wat hielp was dat Slim dikke maatjes was met C

arlos Salinas, de Mexicaanse president die vanaf 1988 op grote schaal economische liberaliseringen doorvoerde. De privatisering van het staatstelefoonbedrijf Telmex was de hoofdprijs die door Slim werd bemachtigd, volgens concurrenten was het doorgestoken kaart. Slim profiteerde vervolgens van de zwakke regelgeving, zodat zijn Telmex 80 procent van de vaste en 70 procent van de mobiele telefoonaansluitingen in handen heeft. Freeland laat niet na te vermelden dat dit bijna-monopolie funest is voor investeringen in innovatie in Mexico. Mexicaanse bedrijven én particulieren betalen aan telefonie het meest in de hele wereld.

Zoals het in Mexico werkt, werkt het ook in India en zeker in China: de miljardairs en de politici spelen elkaar de bal toe. Maar ook op Wall Street. Freeland vertelt met veel smaak hoe McKinsey zich vlak voor de crash van 2007 liet inhuren door de banken om met een deftig, maar flinterdun rapport succesvol actie te voeren voor deregulering van de handel in derivaten en het verlagen van de kapitaalseisen voor banken. Minister van Financiën en voormalig topman van Goldman Sachs prees het rapport als 'right on target'. Net als Carlos Slim en de profiteurs van de Russische privatisering, schrijft Freeland, hebben de bankiers op Wall Street, de Londense City en Frankfurt hun rijkdom te danken aan steun van de wetgevers en de toezichthouders.

De banken op Wall Street werden gered door 700 miljard dollar aan overheidssteun en een veelvoud daarvan aan vrijwel gratis leningen van de centrale banken. Freeland vroeg bankiers of ze zich schuldig voelden. Nou nee. De echte schuldigen van de kredietcrisis waren volgens de tycoons de mensen die zich in de schulden hadden gestoken om twee auto's en een huis te kopen. Het zegt veel over het zelfbeeld van de nieuwe klasse van miljardairs: wat goed is voor hen, is goed voor de rest van de wereld. Maar lage belastingen, lichte regulering, zwakke vakbonden en onbeperkte donaties aan politieke campagnes zijn op zijn best in het kortetermijnbelang van de plutocraten zelf.

Het grote verschil met het kapitalisme van vóór de globalisering en de internetrevolutie, concludeert Chrystia Freeland, is dat de plutocraten de middenklasse en de democratie niet echt meer nodig hebben. Het westerse bedrijfsleven is minder afhankelijk van een welvarende middenklasse in eigen huis omdat ze zijn producten kan afzetten aan de opkomende middenklasse in andere continenten. Op hun beurt hoeven de oligarchen in autoritaire regimes niet bang te zijn dat de repressie thuis hen afsnijdt van de innovaties die in democratieën beter gedijen. Ze investeren gewoon direct in de hottest start-ups in Silicon Valley en ze sturen hun kinderen naar Britse kostscholen en Amerikaanse Ivy League-universiteiten.

Meer over