PLATEN: KLASSIEK

Xenakis' Windungen klinkt ook met acht celli explosief..

Boulez, Xenakis e.a., door Conjunto Iberico o.l.v. Elias Arizcuren. Channel Classics 11798.

Met de meeste componisten van vandaag is het slecht kersen eten, als er getornd wordt aan de uitvoeringsprincipes van hun muziek. Smokkel als pianist een extra pedaalwisseling in een Klavierstück van Stockhausen, of negeer een staccato in een etude van Ligeti, en je bent verzekerd van hun eeuwige en gerechtvaardigde toorn.

Xenakis is een uitzondering. Met hem valt te onderhandelen - als de musicus iets te bieden heeft. Sopraan Jannie Pranger zong in Xenakis' Kassandra de solopartij van een falsetterende bariton: geen probleem. De cellist en dirigent Elias Arizcuren herschreef Xenakis' Windungen, een explosief werk voor twaalf celli, tot een compositie voor slechts acht exemplaren: Iannis Xenakis verleent ook deze Nederlander zijn 'volle permissie'.

En zo vreemd is dat niet, als je de uitvoering hoort die Arizcurens cellistenoctet Conjunto Ibérico op de plaat heeft gezet. Windungen is een stuk van bijtende tonen en kolkende glissandi. Die bijten en kolken ook in Arizcurens 75-procentsversie, misschien wel even explosief als de componist voor ogen stond, toen hij zijn twaalfpersoons-cellowerk schreef voor het Beethovenfestival 1976 in Bonn.

Een uitvoering door Conjunto Ibérico heeft haar eigen attracties. Dit is geen groepering die voor één projectje de handen wel even uit de mouwen steekt. Conjunto Ibérico is ook geen willekeurige cellosectie van een symfonieorkest (al zou deze groep onder aanvoering van solocellist Jeroen den Herder menig orkest direct naar hoger niveau tillen). Het is een ensemble met de spirit van een strijkkwartet. Met Arizcuren, een muzikant die over elke noot nadenkt, heeft het een scherp oor ontwikkeld voor de mogelijkheden van de vermenigvuldigde cello.

De groep verstaat de kunst te klinken alsof het om één 32-snarig instrument gaat, maar weet ook precies wat de waarde is van een solitaire, vluchtige cellotoon. Dit uit zich niet alleen in het luxueuze klankbeeld waarin het Xenakis' woeste attaques en turbo-unisonopassages neerlegt, maar ook in de volheid van de glissando-woelingen, die met adembenemende souplesse in het niets oplossen.

Conjunto Ibérico speelt het stuk vanavond in het Amsterdamse Concertgebouw, in een programma waarin ook Messagesquisse van Boulez aan bod komt. Pierre Boulez kwam anno 1976 iets dichter bij Arizcurens streefgetal dan Xenakis: hij schreef Messagesquisse voor zeven celli. In de roos zit de Italiaan Franco Donatoni, met zijn Lame II voor acht celli, dat vanavond in Amsterdam zijn eerste uitvoering beleeft.

Het staat, begrijpelijkerwijs, nog niet op deze Channel-plaat, evenmin als de nieuwe Loevendie en de nieuwe Tomás Marco die Conjunto Ibérico eerder deze maand ten doop hield in de Kleine Zaal. Messagesquisse staat er wel op - heel goed zelfs. Elke noot in dit contrapunt van korte signalen, uitgesponnen melodielijnen, bourdontonen, pizzicatobasjes en onderbroken frasen is een gebeurtenis.

De nieuwe stukken van Antoine Tisné en Arthur Thomassin spreken minder tot de verbeelding. Maar Christophe Looten, een talent van het 'mysterie' en de 'etherische kalmte' - een paar ondertitels van zijn Nocturnal zeggen het al - is iemand om in de gaten te houden.

Van Gilse, door het Viotta Ensemble en het Ebony Kwartet. NM 92056.

Knallende ruzie schijnt Jan van Gilse te hebben gehad met de leden van het Concertgebouworkest die zich bij een doorspeelrepetitie over zijn Nonet ontfermden. De componist was er in 1915 aan begonnen op verzoek van het toenmalige 'Concertgebouwsextet', een befaamd ensemble van vijf blazers en een pianist. Van Gilse tracteerde ze uiteindelijk op een werk voor vier blazers plus vijf strijkers, wat de motivatie nogal deed afnemen. Men schijnt het stuk ook 'te Duits' te hebben gevonden.

De Duitser Max Reger is inderdaad niet ver weg in dit Nonet. In het tweede en vierde deel klinken Richard Strauss-invloeden door. Maar van tweedehands muziek is geen sprake. Het is een sterk stuk, en áls het van Strauss was geweest, dan was het zeker allang de wereld rondgegaan - zoals collega Heg schreef, toen het nonet werd uitgevoerd bij een Jan van Gilse-lezing onder auspiciën van het Centrum voor Nederlandse Muziek CNM.

Deze stichting, die als producent van cd's onder het motto 'Ongekend goed!/The sound of a small country' een belangwekkende catalogus heeft ontwikkeld, probeert de wereld alsnog het Nonet onder ogen te brengen, via een cd die ook uitvoeringen bevat van een trio en een onvoltooid kwartet van Van Gilse.

Het is een mislukte worp. Wat er in januari '96 aan de hand is geweest is niet duidelijk, maar de opname klinkt beroerd, en de uitvoering door het Viotta Ensemble blijft ver achter bij wat je zou verwachten van musici als de klarinettist Jacques Meertens, de hoboïst Jan Kouwenhoven, de violiste Marleen Asberg en de cellist Daniël Esser - allemaal eminente leden van het Concertgebouworkest. Zoals het nu gebracht wordt, houdt dit nonet het midden tussen een schraal geïnstrumenteerde symfonie en een uit haar krachten gegroeid kamermuziekwerk. Maar het heeft ook meer van een doorspeelrepetitie dan van een uitvoering.

Roland de Beer

Meer over