PLATEN: klassiek

Gardiner strijdt met Britten in 'Spring Symfony'..

Britten: Spring Symphony e.a.. Philharmonia Orchestra, koor en solisten o.l.v. John Eliot Gardiner. DG 453 433.

De Spring Symphony van Benjamin Britten, een twaalfdelige evocatie van de overgang van winter naar lente, is een groot en mooi werk van een bijzonder soort. Grote conceptie. Grote bezetting: drie solisten, koor, jongenskoor en orkest. Groot enthousiasme wekkend - en als het voorbij is, is iedereen blij er weer van af te zijn, waarna het werk een grote periode blijft liggen.

Aan zijn opdrachtgever, de dirigent Koussevitzky, schreef Britten dat het zijn 'biggest and best piece so far' moest worden. Bij het Holland Festival waren ze in de wolken, toen Koussevitzky de première in 1949 aan het Concertgebouworkest afstond. Van Beinum dirigeerde, de solisten kwamen uit de hoogste divisie, (Jo Vincent, Kathleen Ferrier, Peter Pears), en in de zaal zat maarschalk Montgomery, die begroet werd met het Wilhelmus en God save the Queen. Het heeft 48 jaar geduurd voor het werk weer te horen was in het Concertgebouw, waar het in mei groot enthousiasme wekte bij een uitvoering met het Rotterdams Philharmonisch.

In Engeland doen ze er meer aan, maar wat de plaat betreft is het ongeveer hetzelfde verhaal: de opname die in 1961 werd gemaakt van een live-uitvoering onder leiding van de componist was lange tijd de enige. De luttele opnamen die later werden uitgebracht - onder leiding van André Previn en Richard Hickox - haalden het niet bij die van Britten, die de brooddronken atmosfeer van zijn lentezangen op oud-Engelse gedichten kennelijk als geen ander op zangers, musici en fluitende jongetjes wist over te brengen.

Van belang in de uitvoering van Previn is de bijdrage van de alt Janet Baker aan het enige deeltje dat de toonzetting is van een eigentijds gedicht: Out on the lawn I lie in bed van Wystan Hugh Auden. De idylle van het gazon verdooft in dit sarcastische vers het oorlogsleed dat elders de wereld wordt aangedaan, en Baker heeft het door.

Maar het is de dirigent en muziekomnivoor John Eliot Gardiner, die de dirigent Britten eindelijk serieuze concurrentie aandoet. Zijn lezing is, op z'n Gardiners, voortvarend en ritmisch scherp gelijnd. Het contrapunt dat de componist Britten zo vernuftig kon hanteren, is bij Gardiner in veel betere handen dan bij de dirigent Britten. Gardiner heeft ook affiniteit met de charmes van Brittens instrumentale detail: hier drie flitsende trompetten bij de tenor. Daar de lompe koehoorn. De fluit-en-harptonen bij het 'welkom, dotterbloemen' van de alt kunnen niet kristalachtiger. (Het is een vondst die Britten lijkt te hebben ontleend aan een microscopisch detail uit het Was die Blumen mir erzählen van de derde symfonie van Mahler, die hij een keer bewerkte).

In de correspondentie van Britten is een saillante brief van de dichter Auden bewaard gebleven, waarin Auden zijn vriend uitmaakt voor een tuthola, wiens kunst aanzienlijk aan kwaliteit zou winnen als hij meer chaos zou toelaten in zijn leven en zijn muziek. Britten beantwoordt het verwijt op een uiterst curieuze manier, zo lijkt het, in de finale van zijn Spring Symphony.

Britten schildert hier het gewoel van de grote stad, en doet een poging uit zijn dak te gaan in een beschaafde variant van de stijl die Sjostakovitsj eerder en ruiger hanteerde in de groteske paringsmuziek van een tussenspel in zijn opera Lady Macbeth van Mtsensk (die door de Sovjet-autoriteiten het beruchte verdict 'chaos in plaats van muziek' had opgeplakt gekregen). Net zo opmerkelijk: Sjostakovitsj nam het model van Brittens Spring Symphony later over voor zijn eigen veertiende symfonie.

De technische uitvoering van Brittens slotdeel is bij Gardiner het best. Maar het is toch Britten die hier (in zijn oude Decca-opname) het best weet hoe de stemming erin te houden. Britten had fraaie solisten: zijn medewerkers Jennifer Vyvyan, Norma Procter en Peter Pears winnen het van de minder rijk bedeelde Gardiner-voorhoede Alison Hagley, Catherine Robbin en John Mark Ainsley.

Michael Dougherty: Jackie O, the opera. Houston Grand Opera o.l.v. Christopher Larkin. Argo 455 591

In Texas wandelde dit voorjaar Jackie O. over het toneel van de Houston Grand Opera, waar ze in een beknopte toonzetting van Michael Dougherty ontmoetingen had met Liz, Grace, 'partygoers', 'playboys', een paparazzo en een zekere Ari. Ari vroeg: 'Waar heb je vandaag zin in?'. Een onzichtbare JFK vroeg telefonisch om vergiffenis, en de wijsheden van de avond waren 'Ik geloof in ijdelheid' (Jackie), 'De toekomst staat op het punt te gebeuren' (Ari), en 'De essentie van tragedie is herhaling' (playboys). De voorstelling schijnt een aardig effect te hebben gesorteerd. De cd moet het doen zonder iconen als O (Ari), C (Maria), en W (Andy). Het klinkende residu onthult een vergeefse poging de lyrische toonkunst tot nieuw leven te wekken met hulp van musicalrestanten en vriendelijke avantgardeclichés.

Roland de Beer

Meer over