PLATEN: KLASSIEK

Beethoven, Pianoconcerten 1 en 2; Rondo in Bes. Robert Levin, orkest o.l.v. John Eliot Gardiner. Archiv 453438...

ROLAND DE BEER

Levin vertolkt Beethoven met fantasie en gezag

Heeft juist Jos van Immerseel zijn nieuwe opnamen van de pianoconcerten 1 en 2 van Beethoven afgeleverd, zijn er ook nét weer nieuwe uitgaven van Beethovenconcerten met András Schiff en met Evgeni Kissin - komt ook John Eliot Gardiner er weer aan: Beethoven 1 en 2. Met een goeddeels vergeten Rondo in Bes van de jonge Beethoven voor de aardigheid erbij.

Solist is de fortepianist Robert Levin. Dat is de jonge Amerikaan die pas nog furore maakte tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, als improvisator en als voltooier-ter-plekke van onvoltooid werk.

Ook deze Beethoven-cd ontleent zijn belang voor een groot deel aan het onverschrokken improvisatiewerk van Levin - aangenomen dat hij bij de opnamen niet is komen aanzetten met voorgekookte huisvlijt. Hij improviseert niet alleen de cadenzen (de grote soli waarin de virtuoos destijds de vrijheid nam om te epateren met instant-fantasieën). Levin geeft zijn instinct ook de vrije loop in overgangen en versieringen - plaatsen waar de meeste pianisten geneigd zijn terug te deinzen voor dat wat 'gewoonte' is geworden.

En opnieuw is de vraag: wat voor klank had Beethoven eigenlijk in het hoofd bij het componeren voor piano?

Geen instrument heeft zo'n snelle ontwikkeling doorgemaakt als de piano in de periode waarin Beethoven componeerde en optrad. Instrument en componist groeiden als het ware met elkaar op: kan opus 13 gespeeld worden op een instrument van vijf octaven, aan opus 106 komt een klavier van zes en een half octaaf te pas. Pianisten en fortepianisten leiden daar, opvallend genoeg, compleet tegengestelde conclusies uit af.

Het zou, toen Beethoven in 1827 de ogen sloot, nog jaren duren voor Steinway zijn eerste keukentafeltje timmerde. Maar het feit dat Beethoven geneigd was direct alle nieuwe mogelijkheden van een instrument te benutten (en op piano's te kankeren), betekent voor de een dat Beethovens idealen slechts gediend zijn met een moderne vleugel. Bij die opvatting hoort het beeld van een razende Beethoven, die een spoor van ontwrichte tingeltangels achter zich laat.

Anderen menen dat Beethovens schrijfstijl zo verweven is met de karakteristieken van oude pianofortes (waarvan de toon korter naklinkt dan die van de moderne vleugel), dat er maar een antwoord mogelijk is: de Pathétique uitvoeren op de kopie van een vijf octaafs Walter-pianoforte, en de Waldstein op een zes octaafs Lagrassa. Dat doen, onder anderen, Tom Beghin en de Nederlander Bart van Oort. Met vijf andere fortepianisten zijn ze, onder aanvoering van Malcolm Bilson, verwikkeld in een cd-project met alle pianosonates van Beethoven op het Zwitserse label Claves.

Beethoven zelf was zo sympathiek om beide kampen een steuntje in de rug te geven. Hij schreef rond 1809 cadenzen uit bij zijn pianoconcerten, en benutte daar zes en een halve octaaf voor, uiteraard ook voor de concerten die hij eerder schreef voor een piano van vijf octaven breed.

Voor Levin, die de concerten 1 en 2 en het Rondo uitvoert op vijf octaafs piano's, vormt het de legitimatie om die 'te brede' cadenzen van Beethoven te versmaden, en de eigen verbeeldingskracht aan te spreken. Hij doet het met groot gezag. 'Tekeer gaan' is hier bijna het juiste woord. Zijn improvisaties zijn speels en exuberant, maar hebben in de akkoordkeus en het spel met registers ook een verbluffende dieptewerking. Fraai voorbeeld is de cadens in het vergeten Rondo, waarin Beethoven, na een schitterende modulatie, Levin gelegenheid geeft tot een muzikale bespiegeling van groot filosofisch gehalte.

Voor een Beethovenvertolking is meer nodig dan handigheid en een juiste pianoklank. Maar als er een is die het kan opnemen tegen de volbloeden van het Steinway-circuit, dan is het deze Robert Levin.

Debussy, 12 etudes voor piano. Theo Bruins. Arsis Classics 97012.

Hij werd er maar in kleine kring om gewaardeerd, maar tot de grote Beethoven-, Schumann- en Debussy-vertolkers hoorde Theo Bruins, de Haarlemse pianist en pedagoog die in 1993 overleed. Op het label Arsis verschijnt stukje bij beetje zijn vertolkersnalatenschap. De beurt is ditmaal aan Debussy's etudes, opgenomen door de VARA en de KRO bij concerten in de jaren tachtig. Debussy, deden we dat op een nieuwe Steinway of op een Pleyel uit 1915? Bruins gaat aan die kwestie met grote grandeur voorbij. Elke noot staat als een huis, zelfs de foute.

Even spreekwoordelijk als Bruins' integriteit, was zijn inzicht in de muzikale architectuur van deze gecompliceerde 'oefeningen', die elk voor zich een wereld ontsluiten. De opnamen zijn recht voor de raap.

Roland de Beer

Meer over