PLATEN: Jazz

De grote gitaar in zijn vele verschijningsvormen..

FRANK VAN HERK

Joe Louis Walker: Great Guitars. Verve 314 537 141-2.

De titel is geen overdrijving. Blueszanger en -gitarist Joe Louis Walker maakte een ware staalkaart van alle manieren waarop in de Amerikaanse roots-muziek de elektrische gitaar ingezet wordt, en schakelde daarvoor zoveel mogelijk de grondleggers in.

Clarence 'Gatemouth' Brown vertegenwoordigt de jazzy, T-Bone Walker-achtige stijl, Robert Jr. Lockwood de country blues, Buddy Guy en Otis Rush de rockende Chicago-variant. Bonnie Raitt laat haar slide lekker ordinair gieren, Taj Mahal ondersteunt Walker met zijn National steel guitar op de gospel-verzuchting In God's Hands.

Dan zijn er nog drie figuren die meestal op de achtergrond actief waren, maar toch talloze gitaristen hebben beïnvloed: Ike Turner, een van de sleutelfiguren van de vroege rhythm & blues, Scotty Moore, die zoveel klassieke Sun-rockabilly heeft helpen creëren, en Steve Cropper, wiens bijdragen aan ontelbare soulhits voor Stax en Atlantic tot het riff-repertoire van hele volksstammen zijn gaan behoren.

Met al die grote namen en verschillende stijlen is het toch geen onsamenhangend potje uitsloverij geworden, dankzij Walker zelf. Hij is geen baanbreker, maar wel een persoonlijkheid die sterke varianten schrijft op bekende songstijlen, en zingt en speelt met een intensiteit die uit zijn tenen komt.

Clarence 'Gatemouth' Brown: Gate Swings. Verve 537 617-2.

Ook op zijn eigen nieuwe cd voert de 74-jarige Gatemouth Brown voornamelijk jump blues uit in de geest van T-Bone Walker. Een beetje jammer, want de steevast in cowboy-outfit gestoken Texaan kan veel meer. Cajun, calypso, Western swing, country-ballades, hij schudt het allemaal uit zijn mouw, als een entertainer voor wie de traditionele blues te primitief en te morbide is. Die genres ontbreken hier, evenals Browns viool en harmonica.

Daar staat tegenover dat hij deze vrolijke big band-blues beheerst als geen ander, hij speelt ze tenslotte al vijftig jaar. Praterige, humorvolle zang, door de jaren heen wat onvaster geworden maar niet minder sympathiek, en droog getokkelde, zeer doeltreffende gitaarsolo's, waar net als bij de man zelf geen grammetje vet aan zit.

Repertoire als Take the A Train, Flying Home en One O'Clock Jump ligt misschien wel erg voor de hand, maar door Browns aanwezigheid en solo's van onder anderen tenorist Tony Dagradi klinken ze toch weer fris. En wat hij allemaal voor gruwelijks uithaalt met de hoofdpersoon van Caldonia, daar horen we echt van op.

Eddie Chamblee: The Complete Recordings 1947-1952. Blue Moon BMCD 1049.

Julian Dash: The Complete Recordings 1950-1953. Blue Moon BMCD 1050.

Joe Thomas: The Complete Recordings 1945-1950. Blue Moon BMCD 1051.

Chamblee, Dash, Thomas: The Complete Recordings. BMCD 1052.

Big bands hadden in de jaren '40 en '50 altijd een tenorsaxofonist als stersolist, die met spetterend stuntwerk en zwoele ballads een vergelijkbare functie vervulde als de leadgitarist later in de rock. Die tenoristen maakten daarnaast vaak eigen platen, bedoeld voor de jukeboxen in de getto's, waarop het hysterisch scheuren en wulps croonen nog steviger aangezet werden. Deze vier heerlijke cd's staan vol met dat soort opnamen.

Chamblee speelde bij Lionel Hampton, Dash bij Erskine Hawkins, Thomas bij Jimmie Lunceford. Het Spaanse reissue-label Blue Moon (weinig informatie of digitale opknapbeurten, waarschijnlijk ook geen cent naar rechthebbenden) wijdde aan ieder van hen één schijfje, en wat daar niet op paste is bijeengeveegd op het vierde.

Alle drie hebben ze dezelfde peilloos diepe tenorklank, afgeleid van Coleman Hawkins en Chu Berry, en staan ze met één been in de jazz en met het andere in de r & b. Net als beroemdere tijdgenoten en verwante zielen als Arnett Cobb en Illinois Jacquet, en nazaten als King Curtis en Sam 'the Man' Taylor, die in de jaren '60 de lijn verder doortrokken, met dezelfde muzikale waarden maar dit keer onder de noemer soul.

Hoewel er wel degelijk ook verfijnde dingen gebeuren, meestal afkomstig van bijklussende jazzmusici als pianist Billy Kyle en gitarist Everett Barksdale, gaat het hier in de eerste plaats om ongecompliceerd plezier. En om dat macho-instrument bij uitstek, de tenorsax, die we hees horen schreeuwen, grommen, loeien en blèren op bijna obsceen hard swingende, ongegeneerd op de onderbuik mikkende ritmes, of verleidelijk horen fluisteren en snikken, met een sfeer waar de damp van zweet, alcohol en volle asbakken vanaf slaat.

Veel verschil in kwaliteit tussen de drie heren is er niet. Chamblee is misschien relatief het meest genuanceerd, hoewel Thomas met zijn geestige zang op nummers als Lavender Coffin voor extra pret zorgt, en in Backstage at the Apollo het dichtst bij een knappend bloedvat lijkt te komen.

Frank van Herk

Meer over