Platen: jazz

Neusverkouden Woody Allen heeft toch wel wat..

Woody Allen: Wild Man Blues. BMG/RCA Victor 6333532.

Is er nog ruimte voor de amateur in de jazz? Jazeker: zie het voorbeeld van de vrijetijdsmuzikant Allen Konigsberg (63), die een chic debuut maakt op het Amerikaanse label RCA Victor. Helemaal zuiver is het voorbeeld niet, want Konigsberg was zo verstandig de cd uit te brengen onder zijn pseudoniem.

Op Wild Man Blues horen we niet de schlemielige Konigsberg, maar zijn beroemde alter ego Woody Allen, de filmregisseur die tussen de schuifdeuren New Orleans-jazz speelt (elke maandag in Michael's Pub in New York) en een tijdje geleden bij een Europese tournee op de voet werd gevolgd door de cineaste Barbara Kopple, voor een documentaire over Allen-de-jazzmuzikant waarvan deze cd een direct gevolg is.

Het is veel eer voor een klarinettist die als voornaamste kwaliteit over een bibberig, neusverkouden geluid beschikt. Maar toch, de vijftien 'classics' die Allen hier in trio- en septetbezetting presenteert hébben wat. Zijn secondanten, aangevuurd door de banjoïst/zanger/producer Eddy Davis, zijn goed ingespeelde professionals die de oude liedjes zonder sentimentele poespas vertolken. De door legioenen dixielanders sufgespeelde klassiekers (After You've Gone, Shake That Thing) klinken zowaar weer aardig fris.

Allens klarinet is een verhaal apart. Een eigenaardig, van emoties barstend geluid, dat snikkend en grommend een weg zoekt door de akkoorden. Het wijde vibrato lijkt een parodie op zijn voorbeeld Sidney Bechet, en zijn stroeve improvisaties herinneren aan Pee Wee Russell, een blazer die ook van lugubere zuchten en vreemde stilten hield, maar anders dan Allen/Konigsberg ook een groot klarinettist was.

Moeten we Allen serieus nemen als muzikant? Voor een antwoord volstaat een kleine luistertest: hoor het openingsstuk Lonesome Blues en bepaal zelf of dit eerlijke emotionaliteit of onhandige Alleneske slapstick is. Eén verdienste van deze cd staat niet ter discussie: een repertoire dat geen grote platenfirma nog met een tang wilde aanpakken, blijkt opeens weer marketable.

Herman Brood: Back on the Corner. BMG 651452.

Nog een beunhaas in de jazz, en wel zo'n leuke. Herman Brood (52) poseert dan wel met een tenorsax op de hoes van zijn nieuwe cd, spelen kan hij er niet op, en ook de pianopartijen laat hij over aan een echte routinier, producer en bandleider Edwin Schimscheiner.

Back on the Corner presenteert Brood als zingende hipster en jazzcat, ondersteund door een kleine, met pep spelende big band, die weet wat grooven en wailen is en swingt met de achteloze overgave die Broods handelsmerk is. De arrangementen (van onder anderen Menno Daams en Henk Huizinga) zijn dik in orde, het repertoire biedt naast een ruime selectie van Broods held Mose Allison aardige verrassingen (Willie Dixon, Broods eigen klassieker Saturday Night), en de productie heeft diepte en transparantie.

Verder moet Brood het helemaal zelf redden, en dat lukt wonderwel. Hij zingt soms ongelooflijk vals, slist en verhaspelt lettergrepen, maar ondanks alle kreukels klinkt het authentiek, soulful en vrij. Snelle tempo's liggen hem het best (de enige ballad, My Funny Valentine, gaat de mist in), en het blijft een speciaal genoegen Brood in Cole Porters I Get A Kick Out of You te horen zingen hoe de 'kick from cocaine' het niet haalt bij échte liefde.

The Beau Hunks Saxophone Soctette. Basta 30-9082-2.

The Beau Hunks, het 'documentair orkest' van Gert-Jan Blom, verschijnt elk seizoen in een nieuwe gedaante. De jongste editie noemt zich Saxophone Soctette, en bestaat uit een riante negenkoppige saxofoonsectie, uitgebreid met fluiten, fagot en hobo.

Het Soctette brengt een zorgvuldige reconstructie van een in vergetelheid geraakt fenomeen: de radde, gestroomlijnde sax-ensembles van het Paul Whiteman Orchestra en aanverwante groepen uit het begin van de eeuw.

Niet de persoonlijke expressie staat in dit repertoire voorop, maar de smetteloze uitvoering van hondsmoeilijke arrangementen, vol duivelse arpeggio's en glissandi. Het door Robert Veen geleide ensemble voert dit stuntwerk vlekkeloos en met bedrieglijk gemak uit, en als er soms associaties met sierturnen of andere loze kunststukjes opdoemen, is er wel een wervelwind als My Melancholy Baby (arrangement Nathan Van Cleave, 1939) waar je alleen maar met open mond van verbazing naar luistert.

De Basta-productie is als gewoonlijk tot in de puntjes verzorgd, in een vormgeving van Piet Schreuders en geïllustreerd door Beau Hunks-fan Robert Crumb.

Meer over