Plaatsen van herinnering Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm

Geschiedenis per tegel

Wij zijn niet zulke driftige geheugenkunstenaars in Nederland, en dat zie je duidelijk af aan het laatst verschenen deel in de vierdelige serie Plaatsen van herinnering. Eigenlijk is dit het begindeel dat voorafgaat aan de andere drie, het deel dat het eerste, tevens verreweg grootste tijdvak bestrijkt van de Nederlandse geschiedenis: de periode van prehistorie tot de Beeldenstorm in 1566. Die enorme tijdsspanne geeft al een indruk van de schaarste aan herinneringen in de meest tastbare zin van bronnenmateriaal. Tot aan de Middeleeuwen moeten we het stellen met archeologisch graafwerk, Tacitus' Germania en een stukje De bello Gallico van Caesar.

Daar komt de befaamde Nederlandse slordigheid in de omgang met de nationale geschiedenis bij. Mager bronnenmateriaal, weinig plaatsen, dan hangt er veel af van de koestering van een en ander. Die is materieel niet al te best. De prehistoricus W.A. van Es trekt in zijn bijdrage over Dorestad van leer tegen de manier waarop de voormalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek ook al in de klauwen van het ambtelijke markt- en managementsdenken verzeild is geraakt. Tel daar bij op dat de Vinexwijken overal om zich heen grijpen, dus ook in Wijk bij Duurstede, zodat ligging en activiteiten in Dorestad alleen nog door middel van een haastige 'noodopgraving' konden worden gereconstrueerd.

Maar het belangrijkst, en daardoor voor deze bundel een beetje tragisch, is dat wat er resteert aan tastbaar verleden, vaak nauwelijks wordt herkend. Om in Wijk bij Duurstede te blijven: Van Es wijst de plek aan waar de Hoogstraat een meter omlaag gaat, maar niemand behalve de emeritus hoogleraar weet dat hier de oorspronkelijke oever van Dorestad lag, 'waar vreemde kooplui aanlegden'.

Een plaats van herinnering bestaat bij de gratie van een actief geheugen, en vooral daaraan ontbreekt het in Nederland smartelijk. Om die reden lees je dat de Koornmarktpoort in Kampen eigenlijk 'geen echte plaats van herinnering' is, 'nooit in het collectieve geheugen gegrift'. Hetzelfde geldt voor de Noord-Hollandse Omringdijk, die teruggaat op de 13de eeuw, 126 kilometer lang is, van Alkmaar naar Schagen voert, dan met een bocht naar Medemblik, om via Enkhuizen en Hoorn uiteindelijk met veel bochten weer in Alkmaar uit te komen. Een geheel intact wereldwonder en volkomen terecht opgenomen, maar nergens een plaquette, een standbeeld, een museum. Wat moet je met een lieu de mémoire die niet wil herdenken?

Zelfs de moord op graaf Floris V, toch een hoogtepunt in het nationale geheugen en verbeeld op alle denkbare schoolplaten, bracht het als plaats van herinnering niet verder dan een naamloze rode tegel met het jaartal 1296 op een fietspad bij Muiderberg.

Dat gebrek aan actieve herinnering maakt dit deel hier en daar moeizaam. De methode van les lieux de mémoire, bedacht door de Franse historicus Pierre Nora, moet het nu eenmaal hebben van de kwaliteit van het Nachleben, het sentiment dat beklijft aan een tastbare rest, de gevoelswaarde van datgene dat definitief voorbij is. 'De omgang met het onderwerp maakt deel uit van het onderwerp zelf', schreef Nora in 1984 bij wijze van inleiding op zijn befaamd geworden project.

Het nieuwe van Nora was dat hij hij het maatschappelijk geheugen zélf als onderwerp van geschiedschrijving nam, het geheugen dat verklaart waarom de dingen gaan zoals ze gaan, en dat zich hecht aan het gebaar, het beeld, de stad of de straat. De geschiedenis van deze manier van terugkijken is dan ook noodzakelijkerwijs een 'geschiedenis van de representatie', een methode die over zichzelf nadenkt.

Dat is in deze bundel niet altijd gelukt. Soms kwam dat, zoals in het geval van de Omringdijk, omdat er domweg geen omgang met het verleden wás. Maar ook wel omdat sommige historici er zichtbaar niet in getraind zijn om over hun specialisme op meer borden tegelijk te schaken. Dan eindigt een gedetailleerd verhaal over de vraag of 'Ambiorix echt had bes

taan' in een pagina of een paar slotalinea's waarin nog wat algemene frases de revue passeren over de 'nationale legitimering', dan wel de 'eigen identiteit', of lezen we dat de veertig plaatsen van herinnering in dit boek 'ook een visie op het nu' markeren. Ja, dat de geschiedenis in zijn algemeenheid spiegel van het heden is en vele heren dient, weten we wel.

Toch staan er ook juweeltjes in het boek, dat net als de drie andere delen weer schitterend geïllustreerd en prachtig verzorgd is. Sandra Langereis schreef een voorbeeldig stuk over het Nij-meegse Valkhof, de voormalige burcht van de Duitse vorst Frederik Barbarossa, die werd gesloopt in de revolutionaire opwinding van 1795. De bestuurders van Nijmegen hadden destijds al voldoende gevoel voor monumenten om te ijveren voor het behoud. Maar in de provincie lagen de arrogante Nijmeegse regenten slecht, reden om de tufstenen burcht te verkopen en bijna symbolisch te laten vermalen.

Tot vandaag duurt de fantoompijn vanwege de sloop, twee jaar geleden werd nogal wat bezoek getrokken met de tijdelijke replica van de donjon. Het kwam vorig jaar zelfs tot een referendum waarbij 60 procent van de Nijmeegse stemmers zich uitsprak voor herbouw van het kloeke kasteel, dat dan zou kunnen dienen als museum, muziekcentrum, restaurant of kantine van de voetbalclub NEC.

Even aanstekelijk is de bijdrage van Antheun Janse over de sprong van Jan van Schaffelaar van de kerktoren van Barneveld. Van Schaffelaar wordt pas als held vereerd sinds Oltmans ('de Nederlandse Walter Scott') hem in 1838 als 'een Nederlandse Ivanhoe' vereeuwigde in zijn historische roman De schaapherder. Maar Van Schaffelaar blijkt ook tot heel recent geschikt als een passe-partout van maatschappelijke noden.

In de jaren tachtig zag kinderboekenschrijfster Thea Beckman in hem een vroege voorvechter van vrouwenrechten, en nog onlangs diende hij als VVV-tegenbeeld voor het niet al te beste imago van Barneveld als kippenstad.

Zo eindigt menig plaats van herinnering als voertuig voor het midden- en kleinbedrijf. Om die reden ziet het ernaar uit dat het verre Nederlandse verleden grotendeels is getemd, afgezien van een enkel geval als de Stille Omgang in Amsterdam, waar tegenwoordig weer duizenden mensen op af komen.

In die zwijgende avondlijke wandeling door Kalverstraat en omstreken wordt aan de hand van een wonder uit 1345 gedemonstreerd hoe een groeiende groep conservatieve katholieken in het leven staat. Dat is kennelijk minder onschuldig dan het lijkt, want tot ongenoegen van de auteur, die het wat neerbuigend heeft over het 'rancuneus onvoltooid karakter' van deze processie. Maar voor het merendeel lijken de plaatsen van herinnering stevig in handen van VVV en middenstand, een vorm van vermaak voor vergrijsd Nederland dat op zondag 'lekker weg in eigen land' is.

En dus wordt de Hanze in Deventer en Kampen levend gehouden met arrangementen en fietskaarten, net als de Drentse hunebedden. Dokkum maakte van de nood een deugd en herinnert zich de gewelddadige dood van bisschop Bonifatius met de kreet 'Dokkum moordstad'. Al bij al, schrijven inleiders Wim Blockmans en Herman Pleij, 'markeren veel van de gekozen plekken handel, scheepvaart, toepasselijke devotie en ander pragmatisch gedachtegoed, veel meer dan veldslagen, adellijk vertier, concilies en academische haarkloverij.'

Ook de vroegste Nederlandse geschiedenis telt weinig echte helden, en evenmin serieuze schurken. Ten bewijze daarvan kun je tegenkomen dat graaf Floris V, van die rode fietstegel bij Muiderberg, populair was bij boeren en buitenlui omdat hij 'opkwam voor de zwakkeren in de samenleving'. Nederlandser gemeenplaats van herinnering is niet denkbaar.

Meer over