Piet Parra: ‘Er zit humor in mijn letters’

Het lijkt alsof alles Piet Janssen, beter bekend als Parra, komt aanwaaien. Ideeën voor kleding en sneakers, opdrachten van Nike, Hi en Heineken en, in augustus, de belangrijke Amsterdamprijs. ‘Ik heb dat Nike-jack gemaakt als een hulde aan verliezers.’

In Amsterdam ben je bekend als Parra, maar ben je ook nog Piet Janssen?

‘Parra is mijn werk. Maar ik ben Piet Janssen, Pieter eigenlijk, en dat zal ik altijd blijven – mijn vader, mijn vriendin noemen me Piet, en mensen die ik al heel lang ken, mijn skateboardvrienden. Alleen als ze lullig willen doen noemen ze me Parra. Zo van: oh nee, je bent tegenwoordig Parra.’

Vanwaar die naam?

Parra, van paranoïde, een vriend noemde me zo. Het was zo’n soort Surinaamse grap. Ik vind het soms wel handig: ik kan kiezen. Als ik in de kroeg zit en geen zin heb in een heel gesprek, zeg ik Piet. Eigenlijk is het de domste naam die ik had kunnen bedenken. In de Verenigde Staten wordt het ‘Pera’ en in Japan Palla. In Nederland vinden mensen zo’n bijnaam sowieso maar overdreven.’

In welke scene ben je vooral bekend?

‘Dat vind ik altijd moeilijk. In Amsterdam. Daar zou jij eigenlijk een goede naam voor moeten verzinnen. De onderbuik van de stad? Het zijn jonge mensen, maar niet piepjong, beetje van mijn leeftijd, 34. Mensen die met muziek bezig zijn, reclame, uitgaan, toegepaste kunst. Maar ook de jongens van Patta (sneakershop in Amsterdam, red.). Mensen die hun roots hebben in het skateboarden, in de hiphop van de jaren negentig.’

Maar het is toch ook internationaal? Je exposeert In Londen, Milaan, Berlijn, New York, Los Angeles, Tokio.

‘Allemaal in galeries. Niet de top end maar meer de nieuwe Chielerie-achtige galeries (doe het zelf-galerie in Amsterdam, red.), voor jongere kunstenaars.’

Toch ontving je vorige week de Amsterdamprijs, de belangrijkste kunstprijs in Amsterdam.

‘Dat was echt heel bizar en raar. Want ik heb nog nooit een tentoonstelling in Amsterdam gehad. Ik had het ook helemaal niet verwacht. Ik had niemand uitgenodigd, geen speech voorbereid. Ik was er alleen met mijn vriendinnetje met het idee, over tien minuten staan we weer buiten. Uiteindelijk is het heel laat geworden. Die gekke cheque, zo’n groot kartonnen ding, lag de volgende dag op de grond. Onder de biervlekken, allemaal kleren eroverheen.’

Kan dat wel voor iemand uit de underground? Opgenomen worden in de gevestigde orde met Krisztina de Châtel en Erik Kessels?

‘Tien jaar geleden had ik dat misschien erg gevonden. Nu niet meer. De underground is tof maar niet om daar te blijven hangen. Voor mij is het bevestiging. Ook iemand als Alex van Warmerdam was genomineerd.’

Voor wie je niet kent: wie of wat ben jij?

‘Eigenlijk ben ik gewoon een tekenaar of een toegepast kunstenaar. Een vriend van mij noemde wat ik maak post pop-art. En dat is het wel. Niet zoals Andy Warhol. Maar in de zin van populair art. Mijn tekeningen komen op T-shirts, sneakers, flyers, posters, logo’s – dat soort dingen. Ik maak ook covers, van de boeken van Bret Easton Ellis bijvoorbeeld. Veel mensen kennen mijn beeldtaal. Soms ook onbewust van: hé, dat heb ik weleens eerder gezien.’

Je bent al tien jaar bezig. Platenhoezen voor Extince, Kubus, Opgezwolle. Flyers voor de bekende clubs van Amsterdam. Mensen trekken jouw posters van de muur. Omschrijf je stijl eens.

‘Flyers worden tegenwoordig nauwelijks meer gedrukt, dat gaat allemaal via facebook. Nu maak ik soms animaties voor internet. Maar het tofst vind ik het echte drukwerk. Ik doe veel met typografie. Ik teken alle letters. Dat wordt meteen lollig, lolliger dan op de computer. Letters die in elkaar overvloeien of zo, dingen die je niet kunt typen. En er zit vaak humor in, een beetje absurdistisch, vage Kamagurka-Monty Python-shit.’

Zoals die terugkerende dikke dames, naakt of met een vogelkop.

‘Het is allemaal ingeprent. Ik ben een sampler. Mijn vader was kunstschilder, met olie op doek. Hij schilderde ook altijd dikkere vrouwen en beesten. Zijn invloed is immens.

‘Ja, zo’n vogeldingetje, dat is een niks. Wel menselijk maar geen mens. Ik teken vaak alien-achtige vreemde wezens die seksueel ook best wel weird zijn, maar omdat ze er zó uitzien, en niet als echte mensen, maak je er niemand boos mee.’

Hoe ga je te werk?

‘Heel belangrijk, ik teken alles met de hand. Met een HEMA-pen. Zoals gisteren. Dan ben ik thuis en dan ga ik zitten schetsen, of ik google honden, iets heel doms, en daar kan ik dan een hele dag op tekenen. Of dan vind ik weer site, chicks on bikes, met allemaal foto’s van vrouwen op fietsen. Daar word ik helemaal happy van.

‘Van die schetsjes maak ik een fotootje met mijn iPhone, inscannen doe ik al niet eens meer, en dan trek ik ze over in Illustrator. Vroeger kleurde ik alles in. Nu doe ik meer zwart-wit. De achtergrond is vaak zwart en – dat is dan een beetje mijn stijl –dan spaar ik lijnen uit.’

Je bent helemaal selfmade. Bewust?

‘Ik was vanaf mijn elfde, twaalfde al erg op mezelf. Ik was skater en mijn vader liet me heel erg mijn eigen ding doen. We woonden in allerlei dorpen in Noord Limburg, maar ik hing altijd rond op een pleintje in Nijmegen. Ik hoorde in die jaren bij de toptien. Ik was semiprof, had een sponsor, Vans. Kreeg ik elke maand vier paar schoenen gratis. In 1996 was ik Nederlands kampioen,

‘Na de havo wilde ik naar de kunstacademie maar daar ben ik afgewezen. Toen heb ik me aangemeld voor een leraaropleiding tekenen, maar dat was the worst peace of crap. Ik heb het volgehouden tot ik in het derde jaar stage kon lopen. Bij een reclame/internetbureau aan het Spui in Amsterdam. Toen is mijn leven begonnen. Na de zomer heb ik mijn school opgebeld: ik kom niet meer.’

En toen ging het balletje rollen.

‘Ik heb daar uiteindelijk drie jaar gewerkt. En alles geleerd: ik deed websites, reclamecampagnes, typografie, illustratie. Na kantoortijd bleef ik plakken en kwamen mijn vrienden, flyers maken, voor feesten, die heetten dan De Hoeren of Je Moeder. Waar ga je heen? Naar de hoeren, weet je wel. Dat soort shit. Vaak volslagen slecht getekend. Ik deed maar wat. Meestal zette ik alle informatie op de voorkant. En dan had ik op de achterkant ruimte om een grap te maken. Dan was zo’n feest gratis en dan stond er: Toegang: ‘geen vijf euro, wel spelletjes’. Dat soort onzin.’

En een paar jaar later liep half Amsterdam rond in de T-shirts van jouw kledinglabel: Rockwell.

‘Zes jaar geleden was de echte boom. In het begin vond ik het meesterlijk, zag ik mensen in mijn shirt rondlopen. Nu sta ik er soms nog bij stil. Wat ik feitelijk doe: ik druk mijn werk op T-shirts. Een vriend van mij en medeoprichter van Rockwell, Alexander Rommens, houdt het gaande, hij runt het pakhuisje in Den Bosch en regelt alle shipping en het gedoe met de productie. Want het wordt over de hele wereld verkocht. Elk jaar maak ik vier collecties. T-shirts, een trui, of een maf ding, zoals laatst een dekbedovertrek.’

Speel je in op de mode? Om de verkoop te vergroten?

‘Nee nooit. Je moet je niet gaan conformeren, want dan word je volgend. Je kunt het beter helemaal fout hebben en dat maar een paar mensen denken: fuck it, ik het doe het aan. Dan heb je toch gewonnen.’

Vorig jaar stonden mensen in de rij voor jouw Nike Air Max.

‘Nike heeft van die artist editions. Ik heb inmiddels een stuk of vier verschillende Air Max Nikes gemaakt. En bijvoorbeeld dit bomberjack. Nike is toch altijd heel erg op winnen? Toen heb ik dit jack gemaakt, wat een hulde is aan de verliezers: Lonely underachieving loners, zo heet-ie. Als je de eerste letters neemt van die titel en achter elkaar zet heb je weer een woordgrap. Zo’n dingen.’

Het klinkt zo makkelijk: effe een paar sneakers, effe een bomberjack. Maar hoe kom je aan zo’n opdracht?

‘Er werken hele hippe mensen bij Nike. En die kennen mijn werk. En die vragen me dan. Het is heel moeilijk uit te leggen als je er niet in zit, maar het is een heel netwerk. Een wereldje.’

Je doet ook grote commerciële opdrachten, voor onder andere Footlocker, Hi en Heineken.

‘En voor IBM en Bacardi, of zoals laatst een Franse bank. Maar ik hou niet van die commerciële dingen. Ik heb een agent in Engeland en die regelt dat allemaal. Ze vragen me voor een bepaalde stijl: altijd typografie. Laagdrempelig, vrolijke kleurstelling. Verder heb ik nooit contact met die bedrijven. Kijk, het is mijn subsidie. Zo zie ik het. Dat is ook supervaag, die Amsterdamprijs is een subsidieprijs, maar ik heb nog nooit een subsidie bij het Fonds aangevraagd. Ik kan zelf verdienen. Dus waarom niet? Tijden zijn veranderd. Ik kan dit werk doen, en toch zijn mijn T-shirts nog steeds credible.’

En je maakt ook muziek. Met succes.

‘Ik heb een bandje Lele, met Pepijn van de Jeugd van Tegenwoordig en Rimer London. Dat was ook min of meer toevallig. Dat komt ook weer een beetje uit mijn hiphopverleden.

‘Maar het is geen muziek maken wat ik doe, hoor. Ik kan nog niet eens fatsoenlijk een gitaar stemmen. Het is ook weer geboren uit onkunde. Dat is het mooie van de moderne technologie. Wat ik doe: ik verzamel muziek op internet en dan haal ik dingen door een snippermachine, een heel simpel programmaatje. Gisteren vond ik dit: een heel tof nummer Keep on making me high. Daar knip ik dan een leuk loopje uit. En dan kun je er op dansen.’

Prijzen, opdrachten, platencontracten. Komt alles jou aanwaaien?

‘Wel een beetje. Mensen komen naar mij toe, misschien is het omdat ik dingen anders aanpak. Ik weet het echt niet. Maar ik kan niet zeggen dat het alleen geluk is. Ik heb ook output. Ik maak dingen die mensen tof vinden. Het is een sneeuwbaleffect.’

Waar sta jij over tien jaar?

‘Ik ben nu in onderhandeling met het MOMA in San Francisco of ik iets op de grafische afdeling kan doen. Het lijkt me heel tof als ik op een gegeven moment geen commerciële opdrachten meer hoef te doen. Dat ik me volledig op mijn eigen werk kan richten. En dat mijn werk ook in musea als kunst wordt geaccepteerd. Maar verder denk ik zo min mogelijk na.’

Piet Parra (Bart Mÿhl) Beeld
Piet Parra (Bart Mÿhl)
Meer over