Persoonlijke obsessies in verhalende tekenkunst

Op een grote tekening staan een wolf, een skelet, een meisje en twee mannen, verwikkeld in een houdgreep. In het bos heet dit werk van Roland Sohier, die graag uitpakt met taferelen waarvan de oorsprong bij Grimm ligt....

Joost Pollmann

In deze nog jonge eeuw is verhalende tekenkunst populair. Museum Het Valkhof in Nijmegen bracht de expositie Oogdwalen, Christiaan Braun stelde voor het Stedelijk Museum de tentoonstelling Eye Infection samen, en het MOMA in New York presenteerde Drawing now: eight propositions, bestaande uit een breed palet van tekenstijlen- en opvattingen. In Haarlem was het drieluik Verbonden beelden te zien. Aan die tentoonstelling deed tekenares Pietsjanke Fokkema mee.

Diezelfde Fokkema heeft nu, samen met Stefan Kasper, de tentoonstelling Wolfskleren samengesteld, waar ook de bostekening van Sohier te zien is. Uitgangspunt was een groep kunstenaars bijeen te brengen die in verhalende tekeningen een heel eigen belevingswereld gestalte geven. Daarbij werden Fokkema en Kasper geleid door een eigen kijk op wat zij thematisch interessant vinden, want de werken van de zeven deelnemers vertonen een grote samenhang.

Rinke Nijburg tekende met houtskool en pastel een scène die hij De Bestraffing noemde en die het midden houdt tussen spanking uit de pornografie en een kastijding uit het katholieke verleden. Op de achtergrond van deze broeierige verbintenis van lust en schuld is een raam te zien waarin Nijburg met de tederste pastels uitzicht biedt op een paradijselijke en reine wereld.

Meerdere van die elementen keren terug in werk van andere deelnemers. Fokkema heeft zichzelf in een Bruegheliaanse bruiloft geplaatst waarin ze moederziel alleen naar de toeschouwer staart, terwijl naast haar tegen de tafelrand wordt gecopuleerd.

Ook bij de andere deelnemers worden autobiografische eigenaardigheden vertaald in grafische dubbelzinnigheden. Soms doen de werken denken aan outsider art, wanneer de persoonlijke obsessies van de kunstenaars de grondstof voor de tekeningen leveren. Er zitten flarden van sprookjes in verstopt en resten van een kerkelijke jeugd, maar nog opvallender is hoe vaak de zeven kunstenaars van Wolfskleren teruggrijpen op de renaissancekunst. Je komt iets tegen van Botticelli, Mantegna en Brueghel. Goltzius is duidelijk aanwezig. Zo doet de manier waarop Sohier zijn personages als boomstammen in het gelid zet, denken aan Botticelli’s Primavera en brengt Paul van Dongen de naakte, vallende mannen van Goltzius in herinnering, nu gegroepeerd tot een kluwen bovenmaatse zuigelingen.

In een van de tekeningen van Natasja Kensmil komt zelfs nadrukkelijk het jaartal 1498 voor, dat zou kunnen dienen als fictieve datering van het geheel. De pictor doctus, de geleerde schilder, is teruggekeerd als tekenaar.

Dan is er nog de titel. Wolfskleren verwijst naar schapen die doen of ze gevaarlijk zijn. Het schaap in wolfskleren is eigenlijk een bang wezen dat niettemin tot iets heldhaftigs in staat is, want het transformeert zijn angst en kan in vermomming iets bijzonders aan de wereld laten zien: zichzelf. Dat is een ingewikkelde vorm van blootgeven. Uit de huid van de wolf kruipt een ongeschonden Roodkapje.

Joost Pollmann

Meer over