Penone ziet schepping als rijmend gedicht

BEELDENDE KUNST..

WILMA SUTO

Giuseppe Penone: beelden en tekeningen, t/m 8 februari bij De Pont, Stichting voor Hedendaagse Kunst, Tilburg, open: di-zo 11-17 uur. Catalogus 35 gulden.

Als alle bladeren zijn gevallen, is de beuk onder de beuken op zijn mooist. Het verweerde patina van zijn bast past het best bij de herfst. De bronzen boom van de beeldhouwer Giuseppe Penone (Turijn, 1947) voegt zich in de tuin van Museum Kröller-Müller naar de bomen eromheen. Je voelt je altijd uitverkoren als je hem weet terug te vinden. In de zomer overschaduwt het gebladerte zijn stam; het najaar helpt hem aan een schutkleur. De boom steekt tien meter de hoogte in en draagt in zijn kale kruin een laatste lading verbruind blad dat nooit zal vallen.

Met wortel en tak is de Beuk in Otterlo (1988) geen boom maar een beeld: een eerbetoon aan de natuur - die we wel kunnen temmen, navolgen, verzieken of verkennen, maar onmogelijk kunnen evenaren. Penone ent zijn sculpturen. Hij plant ze in de aarde als een organisch onderdeel van het landschap en tegelijk als een momentopname, een afdruk van het vliedende leven. Bij Stichting De Pont in Tilburg, waar nu een overzicht te zien is van zijn werk, grijpt hij in op de groei van de gewassen en het verstrijken van de tijd met een gevelde boom van brons, die zijn stam uitstrekt als een arm en zijn kruin als een klauw laat rusten in het gras.

De boom fungeert als een fontein (Fonteinboom, 1992). In een herinnering aan de levensappen die hij vroeger opwaarts voerde, stroomt het water nu uit zijn bast rechtstreeks terug naar de aarde. Het bronnetje ontspringt aan een van de eerste vertakkingen: een afsplitsing van de stam, waar de kunstenaar zijn eigen hand in heeft afgedrukt, zodat de vijf vingers en zijn pols als afvoerkanaaltjes dienst doen. Penone verlengt de menselijke ledematen met die van de boom. In zijn poëtische opvatting van de natuur is het lichaam een landschap en het landschap een lichaam; de schepping een rijmend gedicht.

'De zee is een geruis, de stromingen in de zee zijn als steenaderen. De huid van de zee is de huid van marmer. De spiralen van de golven, van de stromingen zijn als de meanders van onze darmen, het stromen van onze sappen. Elke golf is een wimperslag. Hoeveel ogen zijn er in de zee?' Zo schrijft hij in een van de vele aantekeningen bij zijn werk, die overvloedig zijn opgenomen in de begeleidende catalogus. Voor Penone is de hele wereld dooraderd en stroomt het leven evengoed door een roerloze steen als door ons lichaam of door de bedding van een rivier.

De beeldhouwer zoekt de sporen die de tijd in de materie nalaat. Hij wil 'het oor tegen de stam van een boom te luisteren leggen om zijn jaren van groei te horen, om het geluid te horen van de wind die door zijn takken stroomt, door de stam, door de wortels, de aarde in.' Penone betrekt ons bij zijn verlangen te mogen delen in het geheim van de stenen, in de trektocht van de rivieren naar de zee, en in de groei van de gewassen. Hij ziet ogen in de golven en in de bomen. De kunstenaar tracht hun blik te onderscheppen, te zien wat zij beleven.

Een veelvoud aan foto's van zijn eigen gezicht bengelt in de boomtoppen van een berkenbosje dat hij bij De Pont naar binnen heeft gehaald. De takken groeien door zijn netvlies heen. Plantaardige Blik (1995) is letterlijk en figuurlijk een zweverig beeld - allerminst geschikt voor pragmatische types die er prat op gaan dat als zíj in deze dolgedraaide wereld met beide benen op de grond kunnen blijven staan, ook een ander niet zo onnozel mag zijn om zich aan de wallekant of in de top van een boom te laven aan iets wat dreigt te neigen naar een hemels visioen.

Aanzienlijk aardser, en minder nauw gebonden aan de persoon van de kunstenaar zelf, zijn twee kolossale en toch prachtig transparante sculpturen, de ene van marmer, de andere van hout, waarin Penone zijn gevoel voor de verborgen overeenkomsten tussen de mens en de hem omringende natuur blootlegt als een archeoloog. Met zijn gereedschap is hij doorgedrongen tot in het binnenste van de steen en het hout.

In het doorschijnend witte marmer volgde hij de loop van de blauwgrijze aderen. Ze komen naar voren als een grillig reliëf, vergelijkbaar met de wortelkluwen van een boom of het weefsel onder onze huid (Anatomie, 1994). En voor het beeld Boom/Deur (1993-95) liet Penone zich leiden door de knoesten in de bast van een robuust stuk stam. Hij hakte een vierkant gat in het hout, maar spaarde daarbij de takken die aan het middelpunt ontspruiten en naar buiten reiken. In het gat - de deur - staat van 'drempel tot plafond' een jonge twijg: een tengere stam in een woudreus, het kind in de volwassen boom.

Deze compacte, schijnbaar op zichzelf staande beelden, vinden op de tentoonstelling een vervolg in grote ruimtelijke tekeningen en installaties, waarin Penone de lijnen van zijn eigen vingerafdruk doortrekt in de museumzalen, als uitdijende kringen na de plons van een steen in de waterspiegel, maar ook als de ringen die jaar na jaar de groei van de boom markeren, en bovendien als de kronkels in het menselijk brein.

Penone bevrijdt zijn beelden van hun statische verschijning. De zware blokken hout, de bronzen afgietsels van bomen en diverse, in massief glas of kristal gestolde stronken, dragen de beweging van hun ontstaansgeschiedenis in zich en de schitteringen van het licht. Ze gaan op in een meanderend netwerk: een golfslag van aderen, kronkelingen, plooien en nerven.

De kunstenaar verspreidt de sporen van groei die hij aantreft in de huid van de aarde en de organismen die haar bewonen, hij plant ze voort en tekent ze uit in een ruimtelijke plattegrond. Met kabbelend water verlokt hij het publiek zijn lofdicht op het landschap te betreden, met een straal van kristal wijst hij het de weg.

Wilma Sütö

Meer over