PEKING KIJKT ALTIJD MEE

Chinese avant-garde kunstenaars zijn hip en gehypt in het buitenland, maar in China zelf hebben ze nog een wereld te winnen....

MACHTELD VAN HULTEN

Hedendaagse kunstzinnige Chinezen zijn makkelijk te herkennen. Op de opening van het Dashanzi Festival, een jaarlijks internationaal kunst- en architectuurfestival, hebben ze zich verzameld op een voormalig fabrieksterrein, nu kunstenaarsbroedplaats Factory 798 in Peking. Beeldend kunstenaars, architecten, modeontwerpers, grafisch ontwerpers en webdesigners: ze hebben allemaal een sik, of een grote serieuze bril. Grofweg lijkt in China hetzelfde te gelden als in de rest van de wereld: hoe serieuzer de kunstenaar (zichzelf neemt), hoe gekker de bril. Van dikke zwarte monturen van Armani of Calvin Klein tot blauwe modellen van plastic met een rode en een gele poot.

Factory 798, waarvan de naam nog altijd herinnert aan de gewoonte van de communistische partij om openbare gebouwen te nummeren, is met galeries, expositieruimten, ateliers, winkeltjes en hippe restaurantjes waar je behalve Chinees Tsingtao-bier ook Italiaanse cappuccino kunt bestellen, de belangrijkste plek voor hedendaagse kunst in Peking, met een min of meer legale status.

Op afgebladderde muren tussen roestend industrieel erfgoed zijn foto’s, video’s en installaties van de jonge Chinese avant-garde opgesteld. Meest opvallend is een groot beeld van een rij witte mannen die met de armen recht naar voren op het punt staan om het hoofd van degene die voor hen staat af te rukken, zo valt op te maken aan het hoofd van de voorste figuur dat al over de grond rolt. Het festival is deels gesubsidieerd uit een potje van de Nederlandse ambassade. Vandaar ook werk van Nederlandse architecten als ONL en MVRDV en kunstenares Marrigje de Maar die armetierige (Chinese) kamertjes fotografeerde, bij wijze van portretten van de afwezige bewoners.

‘Vijf jaar geleden was hier nog niets. In heel Peking waren misschien drie grote galeries, nu zijn het er een stuk of honderd’, zegt Huang Rui, de kunstenaar die zich vijf jaar geleden als eerste op het terrein van 798 vestigde.

De Chinese avant-garde is bijzonder klein. In China mogen dan 1,3 miljard mensen wonen, en jaarlijks duizenden mensen aan kunstacademies afstuderen – de echte kunstelite, wier faam tot buiten de landgrenzen reikt, telt misschien een paar honderd man. Die je in een week voor een groot gedeelte persoonlijk kunt leren kennen. De kennismaking gaat van Peking, via Shanghai naar Guangzhou, van videokunstenaars als Cao Fei en Zhu Jia via architecten als Yung Ho Chang en Qingyun Ma naar mode-ontwerpers als Wang Yiyang, JiJi en Zhang Da. De komende weken zijn ze te zien in het Museum Boijmans Van Beuningen, het Nederlands Architectuur Instituut en het Nederlands Fotomuseum, alle in Rotterdam, waar onder de titel China Contemporary drie tentoonstellingen gewijd zijn aan respectievelijk beeldende kunst, architectuur en beeldcultuur.

Het is een hechte groep. Ondanks de grote afstanden kennen de kunstenaars uit de verschillende disciplines elkaar allemaal. Via via of anders van naam. Ze delen, zoals in Factory 798, ateliers, studio’s en expositieruimtes, doen projecten samen of helpen elkaar aan opdrachten: een jong grafisch vormgeverstrio als MEWE ontwerpt catalogi voor bevriende kunstenaars, in Shanghai schiet fotografenduo Peng & Chen modereportages voor Wang Yiyang en Zhang Da, en verbouwt architectenbureau DAtrans de meeste galeries. In een land, waar hedendaagse kunst allesbehalve met open armen wordt ontvangen, hebben ze elkaar hard nodig.

Allemaal hebben ze ooit hun geboorteplaats ingeruild. Eerst voor een van de grote steden in het oosten van China om te studeren aan een of andere ‘Central Academy of Fine Arts’ of universiteit. En later voor het buitenland: voor Europa of Amerika, waar ze ofwel een master, een uitwisselingsprogramma of een stage deden als noodzakelijk vervolg op de vaak sterk ambachtelijke, Chinese opleidingen.

Veel van hen zijn inmiddels behoorlijk opgenomen in het internationale circuit. Kunstenares Cao Fei exposeerde al eerder in De Appel in Amsterdam en in het Domein in Sittard. Videokunstenaar Zhu Jia is een geziene gast op de Biënnale van Venetië, de Documenta in Kassel en in het Centre Pompidou, en heeft toegang tot buitenlandse subsidies, getuige zijn tentoonstellingscatalogus met het logo van het Prins Claus Fonds erop. En mode-ontwerpers en architecten als Yung Ho Chang of Qingyun Ma, zeg maar de Chinese Winy Maas, halen de internationale glossy’s en worden door de in China alom aanbeden Rem Koolhaas persoonlijk bewonderd.

De status die ze in het westen genieten van hip en gehypt vormt een enorm contrast met hun realiteit in China. Terwijl ze door internationale curatoren worden achtervolgd, hebben ze in eigen land nog een wereld te winnen.

Kunst wordt in China, net als alle andere stromen in de maatschappij geacht in de pas te lopen. Natuurlijk, de tijd dat de kunsten een propaganda-instrument voor het communisme waren, is voorbij. Maar echt moderne kunst en moderne architectuur bestaan in China pas twintig jaar. De jonge kunstenaars van nu, allemaal rond de dertig, vormen de derde of vierde generatie avant-garde kunstenaars. In tegenstelling tot de oudere generaties is hun leven niet helemaal gevormd door de Culturele Revolutie van Mao (1966-1976) en het isolement van China. Het Westen was voor hen nooit verboden terrein. Zij herinneren zich hun land vooral van na de economische openstelling eind jaren tachtig door leider Deng Xiaoping. Voor hen is het heel strenge communisme iets uit hun kindertijd. Ze hebben er slechts vage herinneringen aan, en kijken er soms zelfs met een zekere vorm van nostalgie en jeugdsentiment op terug.

China wil in de wereld voor vol worden aangezien, en daar hoort, zo lijkt het motto van het regime tegenwoordig, nu eenmaal ook wat moderne kunst bij. Kunstenaars hebben dus meer speelruimte dan 25 jaar geleden, beschaafd bloot mag, milde maatschappijkritiek ook. Maar het moet niet te dol worden. Dan treden de partijbureaucraten die over de kunst gaan corrigerend op.

Kunst heeft geen officiële plek. Symptomatisch voor de situatie van de jonge kunstenaar in China is het feit dat de kunst zich niet in musea maar op afgedankte fabrieksterreinen afspeelt. Musea zijn er wel, maar die hebben vaak een cultuurhistorisch karakter, of zijn, zoals in Qingpu, een satelietstad op een uur rijden van Shanghai, gewijd aan de prestigieuze bouwplannen van de gemeente.

Zelfs de belangrijkste kunstenaars-hangout van Shanghai, M50, is zijn toekomst niet zeker. De kunstgemeenschap op het voormalig textielfabrieksterrein aan het water van de Suzhou rivier ontstond in 2000 als reactie op de Shanghai Biennale of Art, ‘een farce’ volgens architect Chen Xudong van het bureau DAtrans, omdat er geen enkele hedendaagse kunstenaar te zien was. ‘En dus begonnen wij hier de alternatieve biënnale met een catalogus: Fuck off.’ De tentoonstelling duurde precies een dag, toen werd hij door de Chinese autoriteiten gesloten. Sindsdien wordt M50 gedoogd. Maar er is geen officiële goedkeuring.

‘In Peking wordt de kunst beter beschermd’, meent Xudong. ‘In Shanghai is altijd de economie het allerbelangrijkst. Alles moet daarvoor wijken, en de kunst al helemaal. De grond is verkocht aan een projectontwikkelaar. We kunnen elk moment weg moeten.’

Desondanks ontwierp Xudong een stedenbouwkundig plan voor het gebied dat inmiddels ook deels is uitgevoerd. Honderdveertig kunstenaars, mode-ontwerpers en architecten zijn er nu gevestigd. Tijd noch geld werd gespaard voor het opknappen en verbouwen van de hallen tot galerie, kledingwinkel, restaurant, studio, atelier of architectenbureau.

Gewoon beginnen, en dan maar kijken waar het schip strandt – dat lijkt de enige manier waarop je in China iets voor elkaar krijgt.

Censuur is nog altijd aan de orde van de dag. In maart 2003 werd grafisch vormgever Sun Xhigang uit Guangzhou opgepakt, die tot overmaat van ramp een paar dagen later in zijn cel stierf. Het werd een groot schandaal. Voor de kunst geldt hetzelfde als voor de pers en de moderne media. Peking kijkt altijd over de schouder mee, en verboden onderwerpen zijn talrijk: anti-communistische uitspraken, expliciete seks, verwijzingen naar Falung Gong, Taiwan, Tibet of de studentenprotesten op het Plein van de Hemelse vrede.

Zelfcensuur uit zelfbehoud is dan ook alom aanwezig. Kunstenaars die je naar het onderwerp vraagt zijn kort: als ze zich niet aan de regels houden, hebben ze daar vooral zichzelf mee. Zwaar geëngageerd werk kom je bijna niet tegen. Kunstenaar Ou Ning maakte een interactief internetproject over een oude wijk in Peking vlak voordat deze grotendeels zou worden gesloopt. De eigenaar van een te verdwijnen restaurant die fel tegen de plannen van de gemeente was, liet hij filmpjes maken. ‘Die man werd dagelijks gevolgd door de politie’, zegt Ou Ning.

Als er al sprake is van engagement, dan is het niet politiek, maar meer economisch getint, zoals persiflages op het kopieergedrag of de meer journalistieke video’s van Zhu Jia over de kloof tussen rijk en arm, en over de alsmaar groeiende, ontheemde boerenbevolking in de stad. Wie kritiek levert moet dat heel impliciet en intelligent doen.

Een belangrijk thema dat veel jonge kunstenaars, net als andere Chinezen, bezighoudt, is de uitzonderlijke ontwikkeling die hun land op dit moment in de geschiedenis doormaakt, met aan de ene kant de ongekende hang naar het moderne, en aan de andere kant de eigen cultuur, het karakter van het oude China, die daardoor behoorlijk in de verdrukking komen.

Het in meer of mindere mate verweven van zowel het moderne/westerse als het Chinese zie je terug in zowel de architectuur, de beeldende kunst als in de beeldcultuur, mode, tijdschriften, reclame.

Sommig werk dat in Rotterdam te zien is, vertoont letterlijk westerse trekjes, zoals de T-shirts, tassen en capuchontruien van JiJi’s label Shirtflag met zogenaamd communistische opdrukken van arbeiders die in plaats van het rode boekje ineens een iPod of een skateboard in de lucht houden. Ander werk is juist op het exotische af. Zoals het videowerk van Cao Fei, dat niet alleen technisch amateuristisch oogt, maar, veel belangrijker, een goed voorbeeld lijkt van hoe Chinese kunstenaars commentaar leveren op de maatschappij zonder zichzelf daarmee in de wielen te rijden: zo impliciet, luchtig maar ook ineffectief is de cultuurkritiek in het filmpje van hiphoppende Chinezen in alle soorten en maten – met partijuniform en zonder.

Soms levert de vermenging werkelijk iets nieuws en in de ogen van de westerling, hedendaags op. Zoals de creaties van mode-ontwerper Zhang Da wiens ontwerpen uit de serie ‘Plat’ invloeden van de Vlaamse couture combineren met een typisch Chinese eenvoud en traditioneel Chinese naaitechnieken waarbij kleding niet om een pop wordt gemodelleerd maar plat op tafel wordt gesneden. Het is couture die én werkelijk Chinees én werkelijk modern is.

Ook de gebouwen van het architectenbureau Standardarchitecture uit Peking vallen in deze categorie. Zij zetten oude bouwtechnieken en inheemse materialen als bamboe in voor uitgesproken, verfrissende ontwerpen. Zoals een prachtig auditorium van een school in een dorp dat omgerekend voor slechts 200 duizend euro werd gemaakt van een restpartij rode bakstenen uit de buurt.

Kenmerkend voor al deze kunstenaars is dat ze vooruit willen, zonder China te vergeten. Ze trekken net als hun voorgangers de wijde wereld in maar niet om weg te blijven. Hun doel is China beter maken, terugkomen dus, en dat wat je elders geleerd hebt in eigen land toepassen. Toch lijkt voor juist deze laatste categorie, die in het westen zo bejubeld wordt, in eigen land weinig ruimte.

Liu Mi (36), die zichzelf inmiddels Michelle noemt, is na vijf jaar studie in de Verenigde Staten en drie jaar op het bureau van Rem Koolhaas, terug in Peking. Ze wil haar eigen bureau opzetten. ‘Voor mij is architectuur: veel research en onderzoek, contextgericht bouwen.’ Maar, weet ze ook, in China is daar helemaal geen tijd voor, met alle prestigewerken voor de Olympische Spelen (Peking, 2008) en de Wereldtentoonstelling (Shanghai, 2010) op de agenda, en de vierhonderd steden die tot 2020 moeten verrijzen, elk van om en nabij de miljoen mensen.

Michelle: ‘De meeste jonge architecten denken alleen maar aan geld verdienen. Ze kopiëren de buitenlandse bladen en denken niet na over de echte problemen, van de alsmaar uitbreidende stad, de enorme dichtheid, het groeiend aantal ringwegen dat steeds meer landbouwgrond opslokt, en al die iconische gebouwen die misschien goed zijn voor het imago van de regering, maar niet voor de mensen of voor de stad.’

Een architectenbureau als MADA s.p.a.m. van Qingyun Ma spint zichtbaar garen bij de tijdgeest. Overal in zijn bureau staan maquettes en modellen van ‘iconische gebouwen’, die er bijvoorbeeld uitzien als gigantische vaatdoeken die spontaan op de grond zijn gedrapeerd. Ma spreekt in oneliners. Een project van een restaurant annex theater noemt hij dining Colloseum, een winkelcentrum shopping zoo. Zijn bureau lijkt een soort architectuursweatshop waar fraaie, moderne, snel in elkaar geflanste gebouwen zo van de lopende band rollen. Ma wint er geen doekjes om: ‘Wij doen alleen die projecten waar we of heel veel geld mee kunnen verdienen, of waar we onze concepten en fantasie in kwijt kunnen.’ Werk zat.

In de satelietstad Qingpu is te zien waar dat toe leidt. Het gloednieuwe gebouw aan het meer met golvend dak waarop een tuin, is inderdaad iconisch. Toch ziet het er uit alsof het al tien jaar leeg staat: overal gebroken glas en plassen water, en in de hal twee mannen die zich hier permanent hebben gevestigd, in twee houten hutjes compleet met golfplaten dak van waaruit radiogeluiden en etensgeuren opstijgen. ‘Het is negen maanden geleden opgeleverd’, zegt projectarchitecte Ann Mu. ‘De opdracht was een ‘‘gebouw voor openbaar gebruik’’ te maken. Vanaf het begin was niet duidelijk wat het precies moest worden. Het enige dat we wisten is ongeveer het aantal vierkante meters. Zo gaat dat, opdrachtgevers hebben altijd haast. Er zijn nu plannen er een bibliotheek van te maken.’ En dan, zonder een zucht van vermoeidheid: ‘In dat geval moeten we het hele interieur weer aanpassen.’

Meer over