Pareltjes en paradoxen

‘Het aantal Nederlanders dat redelijk goed Frans kent, is even snel gedaald als het aantal Nederlanders dat in Frankrijk een huis bezit, is gestegen’, aldus H.L....

Anet Bleich

Het openingsverhaal, ‘Een vredelievend volk’, zit al meteen vol met paradoxale wendingen. Wesseling begint met vast te stellen dat ‘de Nederlandse mentaliteit () sinds lang eerder pacifistisch dan militaristisch (is) te noemen’. Om hier vervolgens tegenin te brengen: ‘Toch is het niet alleen maar vredelievendheid die bij ons de klok slaat. In het laatste kwart van de negentiende eeuw voerden wij een van de grootste koloniale oorlogen uit de geschiedenis, de Atjeh-oorlog, die een half miljoen slachtoffers eiste. En die oorlog was niet de enige. Er was eerder ook al de Java-oorlog geweest en er was de Lombok-expeditie en nog veel meer. () Bekende en geliefde liederen uit die tijd behelsden pakkende leuzen als: ‘Wij schieten met kruit en lood de Balinezen dood’.’

Volgt een opsomming van de – vele – oorlogen die Nederland sinds het ontstaan van de Republiek in Europa zelf of buiten Europa om koloniaal gewin heeft gevoerd. Zo langzamerhand word je als lezer dan nieuwsgierig naar de oorzaak van deze omslag in mentaliteit. Daarover geeft Wesseling niet direct uitsluitsel, maar hij plaatst de sterk verminderde bereidheid om zich voor het vaderland te laten doodschieten in een Europese en zelfs mondiale context. Overal is de wil om voor het vaderland te sneuvelen vrijwel verdwenen. ‘De emancipatie van het individu is gevorderd en het accepteren van bevelen is niet meer vanzelfsprekend. Zo gaat de wereld steeds meer lijken op Nederland en dat is een mooie gedachte.’ Dat mag dan geen ontzettend diepgravende analyse zijn, het is wel verhelderend, verstandig en bovendien geschreven in een voor de leek prima te volgen stijl.

Interessant is ook de kanttekening die Wesseling plaatst bij het tegenwoordig gangbare realistische denken over Europa: er zijn wel Fransen en Nederlanders, maar geen Europeanen, er bestaat geen Europese identiteit. Daartegenover stelt Wesseling dat ook de huidige natiestaten er niet altijd zijn geweest, maar een product van de geschiedenis zijn.

Ter illustratie haalt hij een uitspraak uit 1866 aan van de Italiaanse politicus Cavour: ‘Wij hebben nu Italië geschapen; onze volgende taak is Italianen te scheppen.’ Dat, bedoelt Wesseling te zeggen, zou, mits de omstandigheden gunstig zijn en de politieke wil aanwezig is, ook met Europeanen kunnen.

Zo zijn er in Wesselings bundel meer pareltjes te vinden. Zoals zijn prikkelende vergelijking van de huidige ‘vecht- en opbouwmissie’ in Afghanistan met operaties ter pacificatie van pas veroverd gebied in de koloniale tijd. Mooi is ook zijn worsteling met de vraag hoe de geschiedschrijving een wetenschap kan zijn, als ze tegelijkertijd onvermijdelijk subjectief is. ‘De feiten kunnen niet spreken. De historicus laat ze spreken.’

Anet Bleich

Meer over