Parade der prominenten

Heeft elke eeuw een eigen timbre? 'De mens van de nieuwe eeuw hoort onafgebroken de tijd ruisen', schreef historicus Jan Romein in Op het breukvlak van twee eeuwen....

Hij bedoelde dat tamelijk letterlijk. Het horloge, in de negentiende eeuw nog statussymbool en sieraad van de heer en de dame, was bij het ingaan van de twintigste eeuw hard op weg een gebruiksvoorwerp voor de massa te worden.

Maar Romeins woorden hadden een toepasselijke bijbetekenis. De tijd ruiste ook in overdrachtelijke zin, en dat begon ruim vóór 1900. Het fin de siècle was een curieuze mengeling van vervalsbesef en vernieuwingsdrang, van onzekerheid en ondernemingslust. Het tijdperk 'ziet er evenzeer naar lente en vernieuwing als naar herfst en aftakeling uit', aldus Romein. En op het wereldtoneel zou het ruisen weldra overgaan in het knetteren van het oorlogsvuur.

Bij het schrijven van zijn magnum opus had Romein de 'luxe' van een redelijke distantie in de tijd. 'Op het breukvlak van twee eeuwen' ontstond in de jaren vijftig. Aanzienlijk lastiger is het een tijdperk te overzien en te kenschetsen op een moment dat de stofwolken nog amper zijn opgetrokken. Kunnen we al met goed fatsoen de twintigste eeuw in kaart brengen?

'Niemand kan de geschiedenis van de twintigste eeuw op dezelfde manier als die van een ander tijdperk schrijven, al is het alleen maar omdat niemand zijn eigen leven op dezelfde wijze kan bezien als een periode die hij niet uit eigen ervaring kent', zo luidt de openingszin van Eric Hobsbawms monumentale Age of Extremes. Het is een wijs voorbehoud, dat voor de bejaarde Britse historicus overigens geen belemmering vormt om vervolgens meer dan zeshonderd pagina's lang uit te pakken over de eeuw die hij zelf zo intens heeft beleefd.

Bovendien bedient Hobsbawm zich van een slimmigheid die maakt dat zijn boek, gepubliceerd in 1995, toch over een afgesloten tijdperk gaat: hij laat de twintigste eeuw beginnen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914) en eindigen met de ontbinding van de Sovjet-Unie (1991). Een manoeuvre die des te beter verdedigbaar is doordat hij in een eerdere studie de negentiende eeuw liet duren van 1789 (Franse Revolutie) tot 1914.

De Volkskrant gaat zich vanaf vandaag wagen aan een terugblik op het wel en wee van Nederland in de twintigste eeuw, en ook wij passen daarbij een kunstgreep toe, zij het van een andere soort, eentje die de wetenschap zich niet kan veroorloven, maar de journalistiek lekker wel. We geven vandaag het startschot voor een serie waarin de honderd belangrijkste Nederlanders van de bijna voorbije eeuw worden geportretteerd. De serie krijgt een vaste plek in de woensdagse editie van de Volkskrant, en zal dus een looptijd van ongeveer twee jaar hebben.

Hoe is de tophonderd tot stand gekomen? Laten we ogenblikkelijk en ruiterlijk erkennen dat de samenstelling ervan een subjectieve aangelegenheid is, dat bij herhaling appels met peren zijn vergeleken, dat voor hetzelfde geld sommige namen hadden kunnen worden weggelaten en andere toegevoegd. Maar de lijst is niet op een achternamiddag in elkaar geflanst. Er is op z'n minst sprake van een beredeneerde keuze. Alle terreinen des levens zijn de revue gepasseerd, slechts van een enkele grootheid was de selectie vanzelfsprekend, over vele kandidaten zijn geanimeerde, om niet te zeggen verhitte discussies gevoerd. Was Wibaut het prototype van de geslaagde socialistische wethouder, of was dat veeleer De Miranda? Welke Nederlandse wielrenner heeft het meest van zich doen spreken: Wim van Est, Jan Janssen of Joop Zoetemelk?

De beantwoording van dergelijke vragen heeft veel weg van de beoordeling van de 'artistieke inslag' van een vrije oefening bij het kunstschaatsen. Maar er vallen toch wel enkele algemene criteria te bedenken, en die hebben dan ook een rol gespeeld bij de uiteindelijke samenstelling van de tophonderd, al scoort uiteraard niet iedereen op alle punten even hoog:

* Een prestatie van formaat.

* Duurzame invloed op een bepaald terrein.

* Bekendheid in brede kring.

Daarnaast hebben we afgesproken dat we geen personen zouden selecteren

* die weliswaar in deze eeuw nog van zich hebben doen spreken, maar toch vooral hun stempel op het leven van de vorige eeuw hebben gedrukt (om die reden zijn bijvoorbeeld Wilhelmina Drucker en Abraham Kuyper afgevallen);

* wier levenswerk duidelijk nog niet is afgerond.

De portretten worden geschreven door tien Volkskrant-redacteuren, die qua interesse en specialisatie tezamen vrijwel het hele maatschappelijke spectrum bestrijken. Ieder van hen heeft voorstellen gedaan voor de tophonderd, wat heeft geresulteerd in een groslijst van meer dan tweehonderd namen. Deze groslijst is vervolgens voorgelegd aan twee historici die regelmatig in de Volkskrant publiceren: Piet de Rooy en Frank van Vree. Zij hebben de selectie ('een waanzinnige, maar vreselijk leuke onderneming') kritisch doorgelicht en nog diverse aanvullingen geopperd. Het totaal aantal namen kwam daarmee op bijna tweehonderdvijftig. Ten slotte is via een gecompliceerde wegingsmethode - waarvoor de historici geen enkele verantwoordelijkheid dragen - de tophonderd samengesteld.

Bij de parade der prominenten wordt een chronologische volgorde aangehouden. Degene die het langst geleden is geboren, bijt het spits af, de benjamin van het gezelschap komt het laatst aan de beurt. Een andere betekenis heeft de nummering niet: we hebben allemaal onze favorieten, maar in principe is nummer 3 even achtenswaardig en belangrijk als nummer 23 of nummer 73.

Zijn we ten onrechte voorbijgegaan aan staatsman X of actrice Y? Lezers die menen dat er sprake is van een onvergeeflijke omissie, kunnen reclameren, en wel door zelf een portret te schrijven van de persoon die naar hun mening absoluut een plaats verdient bij de tophonderd. Na afloop van de serie worden de drie beste inzendingen gepubliceerd. Ter inspiratie wordt bij elke aflevering een kadertje geplaatst met de namen van vooraanstaande leeftijdgenoten van de geportretteerde die niet door onze selectie zijn gekomen.

Het naderen van de eeuwwisseling heeft al menigeen verleid tot omineuze bespiegelingen over de geschiedenis van de laatste honderd jaar. De twintigste eeuw heeft 'hogere verwachtingen gewekt dan de mensheid ooit heeft gekend', verzuchtte de violist Yehude Menuhin, om eraan toe te voegen dat er ook nimmer tevoren zo'n diepe ontgoocheling heeft plaatsgevonden.

Dit klinkt niet erg naar Nederland. Toch valt moeilijk aan de indruk te ontkomen dat ook voor ons de twintigste eeuw, die begon met een christelijk kabinet en een raderwerk dat bijna door een machtige arm tot stilstand was gebracht, en die eindigt met paars en het poldermodel, meer uitersten te zien heeft gegeven dan vaak wordt gedacht. Met de portretten van de honderd kopstukken van het laagland hopen we een scherper licht te werpen op dat mozaïek.

Paul Brill

Meer over