Papa, ik wil een hert

Een houthakker, een hert en een oude vrouw in het bos. Het lijkt een sprookje, en zo laat zich de debuutroman Ritselingen van Michael Frijda (1961) aanvankelijk ook lezen....

Er rent een meisje door het bos. Ze is op de vlucht, maar Frijda geeft geen redenen, suggereert niets. Hij laat zien. Zijn woorden bewegen als een camera over de kruinen van de bomen, dringen door het gebladerte en komen steeds dichter bij het meisje. Ze laat zich vallen vlak bij de plek waar twintig jaar eerder een jongetje stond dat zei: ‘Papa, ik wil een hert.’

Daar begint het verhaal. Of beter gezegd: daar gaat het verhaal, dat we dan nog niet kennen, verder. Voor Frijda waren de woorden van het jongetje ook het begin. De zin diende zich aan toen hij een hert in een parkje in het Gooi zag, zei hij in een radiointerview.

Dat een verhaal op zoek gaat naar een verteller en niet andersom, beweren wel meer schrijvers. En ook dat ze van tevoren geen idee hebben hoe hun boek zal aflopen, maar dat de karakters en de plot zich tijdens het schrijven ontwikkelen.

Ritselingen gaat voor een groot deel over vertellen en luisteren. Het ene verhaal bestaat bij de gratie van het andere. En als een verhaal niet verder wordt verteld, is alles zinloos. Dat besef maakt van de lezer een geduldig ‘luisteraar’, want in het begin heb je geen idee wat voor boek je eigenlijk aan het lezen bent. Toch vraag je je welwillend af waar het verhaal naartoe wil.

In de roman komen maar weinig personen voor, en slechts twee van hen hebben een naam. Kareltje, de zoon van de houthakker, is de eerste. Hij is het jongetje dat een hert wil hebben. Zijn eigen Bambi, zou je haast denken vanwege het omslag waarop een poesiealbumplaatje prijkt van een hertje. Maar Frijda koestert geen Disney-sentimenten, hij voelt zich meer thuis bij de eenvoud en wreedheid van oude volksverhalen.

De houthakker is ‘alleen maar houthakker omdat hij geen jager was en het idee om boer te worden nooit in hem was opgekomen’. Zijn vader was stroper en heeft hem alleen opgevoed. Veel weten ze niet van elkaar, in hun geïsoleerde bestaan rooien ze het met een beperkte woordenschat.

De houthakker en Kareltje, die een horrelvoet heeft, leven eigenlijk net als de stroper en de houthakker vroeger. Om de hertenwens van Kareltje te kunnen vervullen, zoekt de houthakker de oude, grijze vrouw in het bos op. In een sprookje zou ze een heks zijn, hier is ze gewoon een wijze vrouw. In ruil voor een flesje ezelsmelk waarmee de houthakker een hertje zal kunnen verdoven en vangen, wil de vrouw dat hij naar haar verhaal luistert. Een verhaal dat begint bij haar overgrootmoeder en dat van dochter op dochter is overgeleverd. Waarom de houthakker juist dit verhaal moet horen, wordt pas later duidelijk.

Zoals alles in het boek. Maar langzaam wordt het verhaal concreter en spannender. In de stilte van het bos hebben zich gruwelijke dingen voltrokken. Een associatie met de Tweede Wereldoorlog ligt voor de hand, maar Frijda noemt die niet.

Het veilige en tegelijk verraderlijke bos waarin Ritselingen zich afspeelt, is niet alleen decor maar ook bijna een personage. ‘Het bos gilde en krijste hem nu toe’, schrijft Frijda als de houthakker in een storm naar huis loopt. En ‘de door bliksem gehalveerde boom stond erbij als een gewonde veteraan’.

De grijze vrouw, de stroper, de houthakker, Kareltje, de kaasverkoper en ten slotte het meisje – de tweede persoon met een naam – zijn door het lot veel hechter met elkaar verbonden dan zij en de lezer konden bevroeden. Van sprookjesfiguren zijn ze veranderd in wezens van vlees en bloed, hoofdpersonen van een verhaal waarin dingen worden aangeraakt die nauwelijks te verwoorden zijn: liefde en begeerte of het verschil daartussen. Schaamte en schuld die in elkaars verlengde liggen. Wreedheid en verwantschap, die helaas vaak onder een en hetzelfde dak wonen.

De houthakker heeft ten slotte begrepen ‘dat het einde van het ene verhaal, het begin van het andere is. En dat ook het volgende verhaal – om te voorkomen dat het zou versterven en alle voorgangers mee zou trekken – verteld moest worden. Hardop. Aan iemand.’

Luister en laat u overtuigen.

Michael Frijda: Ritselingen. Podium; 246 pagina’s; ¿ 19,50. ISBN 90 5759 107 3.

Meer over