Overleven in het getto van Warschau

WLADYSLAW Szpilman, een joodse pianist bij de Poolse radio-omroep, ontsnapte tijdens de oorlog op wonderbaarlijke wijze aan een zekere dood....

Szpilman vertelt zijn verhaal in Het wonderbaarlijke overleven - Herinneringen uit Warschau 1939 tot 1945, waaraan enkele dagboekaantekeningen van Hosenfeld zijn toegevoegd. Als Steven Spielberg zich aan de verfilming ervan had gewaagd, had hij heel wat meer kritiek over zich heen gekregen dan nu al met Schindler's List het geval was. Het verhaal heeft namelijk alles van een Hollywood-sprookje.

Szpilmans relaas is niet alleen ongelofelijk, maar ook ongeloofwaardig. Ongelofelijk is het hoe hij steeds aan de nazi's weet te ontsnappen. Maar er waren natuurlijk wel meer van die uitzonderingen die met enorm veel geluk de holocaust hebben overleefd; daarvan zijn getuigenissen te over.

Ongeloofwaardig wordt het verhaal echter wanneer de wetten van de natuur worden getart en de lezer moet geloven dat de uitgehongerde Szpilman alleen op een zolder de wekenlange branden die onder hem in het huis smeulen, kan overleven en niet aan koolmonoxidevergiftiging en uitputting bezwijkt.

Ongelofelijk is het dat kapitein Hosenfeld verontwaardigd aan zijn familie in de Heimat schrijft over de nazi-misdaden, alsof ook de Wehrmacht-post niet aan strenge censuur was onderworpen. Maar we weten dat er tussen de miljoenen beulen en ondanks de Gestapo ook vele Oskar Schindlers rondliepen, die niets moesten hebben van het optreden van hun landgenoten; ook daar zijn getuigenissen van.

Ongeloofwaardig is het verhaal weer wanneer deze goede Duitser zich opwindt over verraad aan idealen als 'democratische vrijheid' en de 'vrije meningsuiting'. De meest principiële tegenstanders van Hitler handelden zelden vanuit een democratische gezindheid, een kwaliteit die ook onder beschaafde Duitsers nog maar zwak was ontwikkeld.

Hebben we dan te maken met een pseudo-egodocument? Cynici of holocaust-ontkenners zouden kunnen opperen dat Szpilman alles uit zijn duim heeft gezogen. De aanprijzing op de omslag, 'Een indrukwekkende getuigenis van de kracht van de muziek, de wil om te overleven en de moed om zich te verzetten tegen het kwade', zou dan met recht blasfemisch genoemd kunnen worden.

Gelukkig kan het nawoord van Wolf Biermann, de ex-dissidente zanger uit de DDR, de lezer van eventuele twijfels verlossen. Hij heeft zowel Szpilman gesproken als de nabestaanden van kapitein Hosenfeld en we mogen van hem aannemen dat er geen sprake is van kitsch of van bedrog.

Szpilman heeft zijn verhaal meteen na de oorlog opgeschreven in een opmerkelijk naakt proza en dat maakt het betrouwbaarder dan de veel later verschenen herinneringen aan de shoah. Dat zijn boek in het stalinistische Polen van 1946 werd verboden en sindsdien in vergetelheid is geraakt, mag geen verbazing wekken; ook voor de boeken van Anne Frank en Primo Levi was de tijd niet meteen rijp.

Wolf Biermann pleit er terecht voor dat, na alle onthullingen over de betrokkenheid van de Wehrmacht bij de raciale vernietigingsoorlog in het oosten, nu ook de dagboeken van Hosenfeld worden gepubliceerd.

Hosenfeld belandde in Russische krijgsgevangenschap en overleed zeven jaar na de oorlog zonder dat de joden en Polen die door hem waren gered, iets voor hem hadden kunnen doen. Zijn aantekeningen completeren Szpilmans verhaal over daders, slachtoffers en omstanders.

Het is een verhaal van een wereld die op zijn kop stond. Want dat is wat op elke bladzijde in het boek aan de hand is. Szpilman weet in het getto van Warschau in leven te blijven door piano te spelen in cafés voor de rijke collaborerende joden: 'Daar werd ik ook twee illusies armer: de illusie van de algemene solidariteit en die van de muzikaliteit van de joden.'

Na de oorlog zou Szpilman tegenover Biermann zijn verbazing uitspeken dat de muzikale Duitsers tot zoiets in staat bleken. Als hij, nadat zijn familie voor zijn ogen is weggevoerd naar Treblinka, weigert piano te spelen in het casino van het Duitse vernietigingscommando, zullen zijn vingers geen toets meer aanraken totdat hij in de puinhopen van Warschau op verzoek van een andere cultuurminnende Duitser, kapitein Hosman, opnieuw Chopins Nocturne in cis mineur speelt.

Van alle gruwelijke en spectaculaire belevenissen zijn er twee die je bijblijven. Het eerste mag een van de indrukwekkendste protesten tegen barbarij uit de geschiedenis worden genoemd: de laatste mars van de charismatische pedagoog Janusz Korczak met zijn geliefde weeskinderen uit het getto. Aangevoerd door een SS'er en een 12-jarige viool spelende weesjongen lopen ze zingend hun dood tegemoet.

In augustus 1942 is het de beurt aan Szpilman en zijn familie. Zij worden bijeengedreven op de beruchte Umschlagplatz, de overslagplaats aan de rand van het getto van Warschau, vanwaar de volgeladen treinen 's avonds naar het vernietigingskamp Treblinka vertrekken.

In het van honger stervende getto kopen ze met hun laatste geld enkele dure slagroombonbons. Vader Szpilman verdeelt die met zijn zakmes in zessen: 'Onze laatste gemeenschappelijke maaltijd.' Nog geen paar uur later wordt de jonge Szpilman op het laatste moment door een joodse politieman van zijn familie gescheiden en moet hij toezien hoe zijn broer, zijn zusjes en zijn ouders in de veewagons verdwijnen.

Meer over