Oude oorlogen

HET IS NIET meteen iets om te vieren of zelfs maar te herdenken, maar honderd jaar geleden had de chef-staf van het keizerlijke Duitse leger, Alfred von Schlieffen, de eerste versie klaar van een strategisch concept dat we nu een scenario zouden noemen, maar dat toen nog gewoon een plan...

Jan Blokker

Het had de charme van de eenvoud.

In geval van een Europees conflict, was de redenering, zou Duitsland waarschijnlijk te maken krijgen met een oorlog aan twee fronten: tegen Rusland en tegen Frankrijk. Om die te winnen was het zaak één van de twee tegenstanders zo snel mogelijk, haast Blitzkrieg-gewijs uit te schakelen, teneinde vervolgens alle tijd en potentieel beschikbaar te hebben om met de andere af te rekenen. Gezien de verwachting dat de Russen er meer dan een maand over zouden doen om hun logge krijgsapparaat in stelling te brengen, lag het voor de hand de eerste klap in het westen uit te delen, en dan dusdanig dat men de sterke Franse linies tussen Verdun en Belfort links zou laten liggen om via een omtrekkende verrassingsaanval regelrecht vanuit het onverdedigde noorden naar Parijs door te stoten.

Er zat één volkenrechtelijk vuiltje aan het plan: het kon alleen maar slagen als de Duitse legers bij hun opmars de neutraliteit van België (en misschien ook Nederland) zouden schenden. Maar in Berlijn vonden ze op zowel militair als politiek niveau het scenario te mooi om het vanwege een paar bijkomende ongerieven op te geven.

Von Schlieffen was een jaar dood toen de oorlog waarop hij zich zo lang en zo consciëntieus had voorbereid, eindelijk uitbrak, en hij hoefde zich niet in z'n graf om te draaien: zijn opvolger Von Moltke deed precies wat hij had bedacht, en alles klopte. Op de kritieke vijfendertigste dag na het begin van de vijandelijkheden - volgens de berekeningen zouden de Russen vijf dagen later gevechtsklaar zijn - waren alle doelen bereikt die Schlieffen op een zelf getekende stafkaart had aangekruist: België was voor driekwart veroverd, Reims was omsingeld, en de Duitsers stonden op veertig kilometer van Parijs. Het wachten was op de genadeslag.

Maar die kwam niet, zoals we weten. Joffre's vinnige tegenaanval van 6 september 1914 stond niet in het Duitse draaiboek (zomin als het rekening had gehouden met de vier Engelse divisies die intussen al over het Kanaal waren gezonden) en maakte een eind aan Von Schlieffens dynamische droom; voor de volgende vier jaar zouden de linies zo goed als bevroren blijven. Vom Westen nichts neues. Het enige nieuws vormden de dodenlijsten: duizend, tienduizend, honderdduizend en ten slotte miljoenen, als prijs voor zo nu en dan een kilometer terreinwinst.

Hoe ouderwets was de Eerste Wereldoorlog?

Hij was van dezelfde eeuw als de vliegende strafexpeditie om Kosovo, er zijn zelfs nog krasse veteranen van in leven, dus hij maakt nog bijna deel uit van een collectieve herinnering. Maar uit The First World War van de Engelse krijgshistoricus John Keegan rijst niettemin weer het beeld op van een zeer antieke verzameling gewelddadige gebeurtenissen. Het kan haast geen toeval zijn dat Von Schlieffen z'n leven lang gefascineerd is geweest door de manier waarop Hannibal in 216 voor Christus de Romeinse legioenen bij Cannae in de tang had genomen en vermorzeld: zijn lichtend voorbeeld.

Van de intussen ontwikkelde nieuwigheden waren de spoorwegen misschien de belangrijkste - 'de oorlog van de dienstregeling', zou A.J.P. Taylor nog eens schrijven -, maar niet zo gauw waren de aangevoerde soldaten uit de trein gestapt, of hun bewegingstempo zakte naar het peil van het eeuwige voetvolk dat in Cannae en over de Berezina al even langzaam was geweest als nu in Passendale. Legervoertuigen waren nog schaars langs het front; er zijn tussen 1914 en '18 ook bijna net zo veel paarden als mensen gesneuveld.

Twee aspecten aan de absurde slachting zijn meer dan tachtig jaar na dato voor een verwend nageslacht haast volstrekt onbegrijpelijk geworden. Het ene betreft de klaarblijkelijke 'sneuvelbereidheid' van de bij mekaar zeventig miljoen jonge Russen, Duitsers, Oostenrijkers, Fransen, Engelsen, Turken, Italianen en Serviërs die, opgetogen alsof ze zich thuis een ongeluk hadden verveeld, het grote avontuur omhelsden en juichend het risico van de dood (één op acht, zou uiteindelijk blijken) leken te willen aanvaarden. De geestdrift raakte na een poosje wel bekoeld, maar al die vier jaren is er zonder noemenswaardig protest doorgevochten, van pogingen tot muiterij of massale desertie is maar heel incidenteel sprake geweest, ook de schandelijkste aanvalsbevelen van blunderende generaals zijn niet of nauwelijks beantwoord met bewijzen van openlijke ongehoorzaamheid.

Wat, in godsnaam, bezielde al die mensen in de vuurlinies en aan de diverse thuisfronten? Niemands vaderland werd in de zomer van 1914 bedreigd. De Europese landen onderhielden bijna zonder uitzondering keurige formele betrekkingen met elkaar, de gekroonde staatshoofden vormden één grote familie (allemaal regelrecht of zijdelings vermaagschapt aan koningin Victoria), een actieve diplomatie droeg bij aan de instandhouding van een beschaafd machtsevenwicht - eigenlijk ontbrak elk motief om een oorlog, laat staan zo'n gruwelijke, te beginnen en tot het bittere einde door te zetten.

En toch begon hij, en toch schijnt hij tot de laatste druppel bloed te hebben gerust op wat we nu een 'breed maatschappelijk draagvlak' zouden noemen.

Dat is het tweede, raadselachtige aspect aan '14-'18: waarom precies?

'Het schot in Sarajewo', leert het geschiedenisboekje, maar dat bevredigt als afdoende verklaring allang niet meer. Moordaanslagen op koningen, aartshertogen, presidenten en troonpretendenten kwamen vaker voor in die jaren, zonder meteen een wereldoorlog te ontketenen. Dat Belgrado medeplichtig was aan de aanslag op Frans-Ferdinand, zou voor de Oostenrijkers een mooi alibi zijn geweest om de lastige Serviërs mores te leren, en als ze meteen maatregelen hadden genomen zou op z'n ergst een derde, beperkte Balkanoorlog zijn uitgebroken - een binnenbrandje, dat de vredelievende grote mogendheden in Europa snel hadden helpen blussen; daar hadden ze tenslotte al aardig ervaring in.

Maar Wenen aarzelde, en omdat de Oostenrijkers te rade gingen bij hun bloedbroeders in Berlijn, werden ze in Petersburg en Parijs steeds zenuwachtiger, en om redenen die eigenlijk onachterhaalbaar zijn geworden, lagen na vijf weken - de dode Frans-Ferdinand al bijna vergeten - bij alle generale staven in Europa de oorlogsscenario's op tafel.

Over de 38 dagen tussen Sarajevo en het feitelijke begin van de Eerste Wereldoorlog zijn al halve bibliotheken volgeschreven, en nog altijd vormen de cruciale weken een inspiratiebron voor nieuwe interpretaties, nieuwe verklaringen en vooral ook nieuwe antwoorden op de schuldvraag.

Zo schreef de Nederlandse vrijetijdsonderzoeker J.H.J. Andriessen een boek dat blaakt van dilettantenvlijt, en waarin aan de hand van nogal hybride bronnen en langs nogal vermoeiende historische omwegen wordt geconcludeerd 'dat Duitsland het slachtoffer is geworden van de vastbesloten politiek van haar (sic) vijanden om haar als grootmacht te vernietigen'.

Die slotsom is minder verrassend dan Andriessen in z'n ondertitel (Een nieuwe versie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog) wil suggereren: de mythe van de boosaardige keizer, die eigenlijk opgehangen had moeten worden in plaats van een rustige, onttroonde oude dag in Doorn te mogen beleven, is al vaker doorgeprikt - net trouwens als de mythe dat Duitse soldaten als oorlogsmisdadigers in de dop toen uitsluitend moordend, plunderend en verkrachtend door België en Noord-Frankrijk zouden zijn getrokken.

Vele malen interessanter, uitdagender en 'avontuurlijker' is de omvangrijke studie van de jonge Engelse historicus Niall Ferguson. The Pity of War - Explaining World War I gaat uit van drieërlei scepsis: de persoonlijke die Ferguson heeft meegekregen van zijn grootvader, die oud-strijder was; de wetenschappelijke, die hij als student al las bij zijn grote voorbeeld, A.J.P. Taylor; en de poëtische die hij verborgen vond in de tientallen oorlogsgedichten van Winfred Owen.

De 'verzamelde' scepsis leidt tot tien vragen, die stuk voor stuk met evenveel voortvarendheid als aplomb aan de orde worden gesteld. Hoe rampzalig was het Engelse besluit om zich in de oorlog te mengen, en hoe hypocriet de 'humanitaire' verontwaardiging over de Duitse opmars door België? Is het waar dat de oorlog zo populair was als altijd wordt aangenomen? Waarom slaagde het (economisch) superieure Groot-Brittannië er niet in de centrale mogendheden snel op de knieën te krijgen, en moest ten slotte Amerika te hulp komen om de oorlog te winnen? Hoe Pyrrhus-achtig was trouwens die overwinning?

Met sterk financieel-economisch getinte feiten (hij becijfert bijvoorbeeld wat de Engelse schatkist moest neertellen voor één gesneuvelde vijand, en toont aan dat de Duitsers een stuk zuiniger doodden) gaat Ferguson een oorlog te lijf die tot dusver overwegend in termen van politiek, militaire strategie en menselijke misère is beschreven en geanalyseerd, en komt tot de conclusie dat de Engelse regering van 1914 (het kabinet-Grey) in hoge mate medeschuldig was aan iets dat veel erger was dan een tragedie zoals we die uit het theater van de oude Grieken kennen, want er was geen sprake van een onvermijdelijk Noodlot, er was sprake van 'de grootste vergissing in de moderne geschiedenis'.

Het boek lijkt meer op een voor good old England provocerend requisitoir dan op het resultaat van historisch onderzoek, en het is meeslepend tot in die mate dat Ferguson ten slotte ook zichzelf laat meeslepen, en in een aantal 'what-if'-hypothesen de stelling verdedigt dat een beperkte continentale oorlog zonder Engeland vermoedelijk al tachtig jaar eerder een Europese Unie (onder Duitse leiding) teweeg had kunnen brengen, dat in een voortgezet Duits keizerrijk Hitier geen kans had gemaakt, dat op een geordend vasteland ook Lenin zijn macht niet had kunnen ontplooien, dat het risico van een tweede 'revanche'-oorlog minimaal was geweest, en dat dus ook de holocaust zou zijn voorkomen.

Met die buitensporige hoeveelheid neuzen-van-Cleopatra brengt Ferguson ten slotte z'n eigen inspirerende onderzoek enigszins om zeep: met zo'n peroratie verliest het Openbaar Ministerie minstens de helft van zijn geloofwaardigheid. Het is met zijn boek een beetje als met de roemruchte aanklacht van Daniel Goldhagen: op minder hoge toon geschreven zou het een stuk indrukwekkender zijn geweest.

Intussen heeft hij ons via z'n what-if-vragen bij de oorlog van twintig jaar later gebracht - de oorlog die er zonder de eerste zeer waarschijnlijk nooit was geweest.

Hoe ouderwets was de Tweede Wereldoorlog?

In 1939 ging het allemaal wat sneller dan in 1914, en de Blitzkrieg hield geen halt bij de door een nieuwe Von Schlieffen op de stafkaart aangekruiste doelen van de vijfendertigste dag: op de vijfendertigste dag na Hitlers aanval in het westen waren Nederland, België en Parijs allang veroverd. Tot dat moment was het dus ook een tamelijk schone oorlog, zonder loopgraven, zonder wanhoopsoffensieven op de vierkante kilometer, zonder totaal vernielde Iepers, Bapaumes, Reimsen en Verduns; sommige steden werden alleen nog uit de lucht gebombardeerd.

Maar verder konden, bij alle verhoogde mobiliteit, de grote veldheren van Hannibal tot Napoleon nog altijd als model dienen. Lees The Victors, waarin Stephen Ambrose, de biograaf van Eisenhower, nog eens een bloemlezing presenteert uit vorige boeken (D-Day, Citizen Soldiers) die de mars van Utah Beach naar het hartje van Duitsland beschreven en verheerlijkten - de titel zegt het al, en anders de ondertitel wel: Eisenhower and His Boys - The Men of World War II.

Of lees anders Stalingrad van Antony Beevor, het minutieuze relaas van het Duitse 'Waterloo', haast van minuut tot minuut en van straat tot straat gevolgd - al die wintermaanden van 1942 tot '43 waarin Duitsers en Russen de nachtmerrie leerden kennen van een grondoorlog, dat woord dat politici en generaals van 1999 niet meer durven uitspreken.

Ouderwets, want klaarblijkelijk was er nog geen publieke opinie die zich ertegen verzette.

In Brussel en in het Pentagon lopen vast nog Von Schlieffens rond. Maar bij gebrek aan maatschappelijk draagvlak reiken hun plannen vooralsnog niet verder dan scenario's voor vredesmissies.

Meer over