Oude boeren hielden koeienpoep buiten

In Schipluiden is de oudst bekende permanente nederzetting van West-Nederland opgegraven, claimen de ontdekkers. Kijk maar naar de sporen, de insecten, de gerst....

Goed, er is het grafveld op Ypenburg, even oud, en er zijn nog meer locaties uit die tijd in het westen gevonden die mogelijk boerennederzettingen waren. Maar die leveren geen onomstotelijk bewijs van permanente bewoning, van een echte boerengemeenschap. 'Schipluiden' levert dat bewijs wel, stellen de opgravers, en vandaag presenteren ze het in veelvoud op een symposium aan de Universiteit Leiden. De resultaten van een zomer lang graven in 2003.

De Schipluidenaren uit deze periode van de Jonge Steentijd woonden op een duin van één à twee meter hoog en 150 bij 50 meter in omvang, vertelt prof. dr. Leendert Louwe Kooijmans, hoogleraar archeologie in Leiden en leider van het onderzoek. 'Op dat duin hebben we wel vierduizend paalsporen gevonden, waaronder zware. Rijen zware palen. Het zijn er zoveel dat we weinig echte plattegronden hebben kunnen identificeren, maar de mensen zullen destijds in kleine, rechthoekige huizen hebben gewoond.'

Ze stonden in een nederzetting die werd omheind, zeer opmerkelijk in deze periode. De archeologen vonden paalsporen - en ook stukken van palen - rondom het hele bewoonde duin. Het zijn, aldus de experts, de overblijfselen van een reusachtig hek. Louwe Kooijmans: 'Het bestond uit dubbele rijen palen, van onder andere jeneverbes-hout. Drie keer is dat hek vernieuwd.'

Mestdiertjes

Diende het om het vee buiten te houden, dat graasde op de kwelder-achtige gronden in de omgeving? Louwe Kooijmans denkt van wel en met hem dr. Tom Hakbijl van de Universiteit van Amsterdam. Deze insectenkundige is een van de tientallen onderzoekers die bij 'Schipluiden' betrokken zijn geweest.

In veel putten die de mensen destijds groeven om zoet water uit het duinlichaam te kunnen halen - verzilting was een probleem - vond Hakbijl overblijfselen van mestdiertjes. In die putten kan koeienpoep hebben gezeten. 'In andere kuilen ontbraken die diertjes en die kuilen waren bínnen het hek gegraven.' Overigens vond Hakbijl ook resten van mensenvliegen en -vlooien. Ze behoren tot de oudste van Nederland.

Sterke aanwijzingen voor een hechte boerengemeenschap levert ook het plantenmateriaal. 'Er waren twee graansoorten die werden geteeld: gerst en emmer', vertelt dr. Lucy Kubiak, paleo-botanicus bij het archeologiebedrijf Biax. 'Het bewijs voor teelt vonden we bijvoorbeeld in de resten van het kaf van naakte gerst, dat bij de oogst vrijkomt. Overigens werd er ook veel verzameld: wilde appels, bessen, wortels, knollen en bollen en ziltige planten als zeebiet, bronnen van eiwitten, zetmeel en vitamines. De appels werden ook opgeslagen.'

Het bewijst maar weer dat boeren en jagen/verzamelen nog lange tijd samen zijn gegaan. Dat de overgang naar een agrarisch bestaan zich heel geleidelijk voltrok. 7500 Jaar geleden al waren er boeren in Nederland, maar alleen in het huidige Zuid-Limburg. Pas in de millennia daarna kwam de rest van Nederland aan de beurt, waarvoor op de zandgronden het eerst de bewijzen werden gevonden.

Jachtkamp

West-Nederland, met zijn zompige gronden, was niettemin al vroeg bewoond, vaak op zandige, hogere terreinen. Van 7500 tot 7000 jaar geleden dateren bijvoorbeeld de ontdekkingen van de beroemde Betuwelijn-opgravingen in Hardinxveld-Giessendam. Acht jaar geleden werd hier Nederlands oudste, min of meer complete menselijke skelet opgedolven. Sporen van landbouw-en veeteeltproducten waren weliswaar aanwezig, maar vermoedelijk leefden de mensen hier maar een deel van het jaar: in jachtkampen.

Toen al konden zij profiteren van de rijkdommen van deze omgeving: de vogels, de vissen, de wilde planten. Maar evenzo goed blijkt het boeren in dit soort streken te zijn gelukt. Totdat de alsmaar stijgende zee de bewoners verjoeg en de resten van hun planten en dieren achterbleven in het conserverende veen en de klei. Samen met het aardewerk, de sieraden en het gereedschap van geïmporteerd steen.

Meer over