Opvoeden, wat kun je ?

Schipperend voor ouder spelen

De Vlaamse presentatrice Inge Becks is 39 als ze onbedoeld zwanger wordt. Ze heeft op dat moment nog maar drie maanden een relatie met de Vlaamse bioloog, schrijver en journalist Dirk Draulans. Abortus lijkt een verstandige beslissing. In de maand verplichte bedenktijd die na het gesprek met de arts van de abortuskliniek volgt, wordt de eerste echo gemaakt. En dan, bij het horen van de hartslagjes van de baby, slaat de kracht van de evolutionaire voorbestemming toe: 'Toen is ook mijn moederhart beginnen te kloppen', vertelt Inge Becks. 'Vanaf dat moment ben ik van het kleintje gaan houden met een liefde die ik nooit voor mogelijk heb gehouden.' Dat kleintje, Yahmina, zal het al net zo min aan vaderliefde ontbreken. Dirk Draulans beschrijft in Dagboek voor mijn dochter het eerste jaar van zijn kleine 'mirakel'.

Deze roerende ode aan het prille leven laat zien hoe ouders van meet af aan geconfronteerd worden met keuzes en het bijstellen van die keuzes. Niet zelden sneuvelen ferme voornemens in de praktijk van alledag. Flesvoeding bijvoorbeeld wordt door Yahmina onverbiddelijk afgewezen. Na een vruchteloze campagne van dagen om de afgekolfde melk met een fles aan te bieden, zijn beide ouders zo murw van het huilen dat ze bakzeil halen: Yahmina krijgt een jaar lang de borst, op de momenten dat ze daar zelf om vraagt. 'Helemaal conform de gulden regels van het verstandig omgaan met baby's zal dat niet geweest zijn', schrijft Draulans. Maar de weergekeerde rust is een weldaad.

Heeft Draulans gelijk en druist het in tegen de regels van het verstandig ouderschap om toe te geven aan de krijsende wensen van een baby? Wordt het daar niet een verwende bliksem van, een puber die over geen enkele impulsbeheersing beschikt? Een potentiële comadrinker? Of draagt het juist bij aan de veilige hechting van een kind als het ervaart dat de eigen wensen ertoe doen? Is het bovendien niet het biologische recht van ieder kind om moedermelk te willen op de momenten dat het honger heeft? En hoe lang ga je daar dan mee door?

Bestaan ze eigenlijk wel, die gulden regels voor het verstandig omgaan met baby's en kinderen? Wie wel eens naar een opvoedprogramma als Schatjes kijkt, ziet hoe overspannen ouders in een crisisgezin steeds weer via een oortje dezelfde regels door een meekijkende pedagoge ingefluisterd krijgen. Regels die stroken met het gezonde verstand: stel grenzen, maak afspraken, wees consequent, beloon goed gedrag, negeer storend gedrag, blijf kalm. Gecombineerd met een portie liefde en aandacht, en vooropgesteld dat de kinderen niet een serieuze stoornis hebben, lijkt daarmee het ouderlijk repertoire prima op orde.

Dat repertoire moet dan natuurlijk wel in stelling worden gebracht. De vrees die op dit moment bij herhaling en met klem wordt uitgesproken door media en overheid, is dat dat niet gebeurt. Dat er als restant van de jaren zestig en zeventig een generatie softe ouders aan het werk is die het vooral leuk willen hebben met hun kinderen, vriendjes met ze willen zijn, te veel met hun eigen ontplooiing bezig zijn en uit schuldgevoel geen ongemakkelijke grenzen durven stellen. En dat er bijgevolg een generatie jongeren is opgestaan die maar zo'n beetje op de tast ronddoolt in het wilde woud van een snel veranderende wereld vol verlokkingen.

Dat is vragen om moeilijkheden, en die zijn er dan ook. Problemen met jongeren lijken zelfs zozeer aan de orde van de dag te zijn, dat er een aanzwellende roep is om meer regels, meer opvoedingsbegeleiding, preventieve ouderschapscursussen, strengere straffen en een betere signalering van risicogezinnen. In Den Haag werkt onder anderen psycholoog René Diekstra op verzoek van de gemeente aan een canon voor de ontwikkeling en opvoeding van kinderen. In Rotterdam is deze maand een begin gemaakt met het opstellen van een toptien van normen voor een goede opvoeding. En ook de KRO streeft de samenstelling van een opvoedingscanon na met het discussieprogramma O

mdat ik het zeg!, dat afgelopen zaterdag op tv is begonnen.

Zijn we als ouders inderdaad zo massaal de weg kwijtgeraakt dat we om al die regels zitten te springen? Ja en nee. Uit een onderzoek dat het tijdschrift J/M heeft laten uitvoeren, blijkt dat ouders in meerderheid dik tevreden zijn over de eigen opvoeding. Het gevreesde onheil van een gebrekkige opvoeding manifesteert zich overwegend bij de buren. Het zijn hun kinderen die asociaal, brutaal en ongehoorzaam zijn. Het zijn de buren die op les moeten.

Het onheil manifesteert zich ook in de media, in berichten over toenemende criminaliteit onder jongeren, messen op school, indrinken, breezerseks, comazuipen, drankketen op het platteland, internetpesten, agressiviteit en kindermishandeling.

Het zijn berichten waar geen mens vrolijk van wordt. Maar het gaat wat ver om dergelijke incidenten te presenteren als het topje van de ijsberg van een over de hele linie falend ouderschap. De opvoeding van de moderne westerse cultuur, constateert ontwikkelingspsycholoog Paul van Geert, is over het algemeen van hoge kwaliteit. En op grond van onderzoek ziet hij ook weinig reden om de softe jaren zestig-ouder als de schurk in het drama aan te wijzen: 'Verschillen tussen groepen ouders met een meer democratische en een meer autoritaire opvoedingsstijl zijn statistisch nauwelijks waar te nemen.'

Van Geert is een van de achttien wetenschappers die door Carine Ex zijn geïnterviewd voor haar boek Opvoeden, wat kun je? Het boek is een aangenaam baken van rust en relativering in het hectische opvoedingsdebat. Niet dat mogelijke problemen met jongeren worden gebagatelliseerd, maar het idee dat je die oplost door beginnende ouders bij voorbaat met handen en voeten aan regels en raad te binden, wordt door geen van de geïnterviewden gedeeld. 'Opvoeden', zegt Van Geert, 'is nu eenmaal tastend door de mist je weg zoeken en hopen dat elke volgende stap je de goede kant opleidt.' Effecten op de lange termijn zijn zelden te voorspellen, en het geloof in het maakbare kind is al jarenlang tanende. Dat laatste heeft te maken met de toegenomen kennis over het brein.

De neurobioloog Dick Swaab is van de geïnterviewde wetenschappers dan ook verreweg het meest laconiek over het nut van opvoeden. Wat er van een kind terechtkomt, ligt volgens hem goeddeels vast in de hersenen. Op grond van ervaringen in de baarmoeder en gedurende de eerste twee levensjaren organiseren de hersenen zich tot een blauwdruk voor het verdere leven. Daarom, aldus Swaab, zijn positieve ervaringen, liefdevolle zorg en aandacht in de eerste levensjaren zo belangrijk. Na die twee jaar kun je als ouder niet zo gek veel meer doen dan het kind de ruimte en mogelijkheden bieden het in de hersenen uitgestippelde pad te vervolgen.

Tot het moment aanbreekt waarop de hersenen opnieuw een overgevoelige periode doormaken: de puberteit. Dat zijn de jaren waarin het stijgen van de geslachtshormoonspiegels de hersenen weer overhoop gooit, en het nieuwe en langzaam rijpende volwassen brein ontstaat. De puber, schrijft Swaab, moet daarmee leren omgaan, wat hem tijdelijk tamelijk ongenietbaar maakt. Hij is geneigd tot het roekeloos nemen van risico's, is gevoelig voor beloningen, maar reageert op straf met de opmerking dat hem dat niet boeit.

Kinderen door deze labiele fase heen loodsen zien veel ouders als de lakmoesproef van hun ouderschap. Stel grenzen!, roept de samenleving. Maar hoe doe je dat? Hoe stel je grenzen aan een puber die zichzelf opnieuw moet uitvinden, voor zijn zelfbeeld afhankelijk is van leeftijdgenoten en glazig wegkijkt zodra er regels en grenzen opdoemen? Psychoanalyticus Willem Heuves vertelt in Opvoeden, wat kun je? over de 13-jarige jongen die van zijn ouders om half twaalf van een schoolfeest thuis moet zijn. Het feest blijkt om elf uur te beginnen. Om half twaalf weglopen kan niet, dan is hij het watje van de klas. Half drie wordt het dus, en dat zijn ouders over hun toeren zijn, kan

Meer over