Open deuren over de high tech-oorlog

Je bent jong, veelbelovend en wilt als kunstenaar wat voorstellen in deze wereld. Dan neem je een onderwerp dat zowel jou als de mensen om je heen danig beroert....

Je kunt de gruwelen van de oorlog recht voor z'n raap opdienen, overeenkomstig de Irakese sites die sniff-movies vertonen van real life-onthoofdingen of de provocerende schetsen van collega-kunstenaar Armen Eloyan. Maar je weet: bij teveel rauwe werkelijkheid wendt de kijker het hoofd af. Dus zoek je het in een ander, beproefd middel en dien je het kwaad op via zijn even provocerende tegenpool: de schoonheid.

De Turks-Nederlandse kunstenaar Eylem Aladogan (Tiel, 1975) maakt vanaf haar afstuderen aan de Rotterdamse Willem de Kooning Academie met succes gebruik van deze magische mix. Haar even betoverende als afstootwekkende vogelkadavers van natte klei waarover elk uur het water als een levenselixer sproeide, vierden triomfen van galerie Fons Welters tot Museum Boijmans Van Beuningen.

Sinds een aantal jaren heeft Aladogan haar fascinatie voor dood, ruimtevaart en genetische manipulatie ingeruild voor een fixatie op de high tech-oorlog. Haar atelier op de Rijksakademie is naar verluidt bezaaid met infraroodopnames van landschappen en foto's van explosies. Op uitnodiging van curator Martijn van Nieuwenhuyzen, die jong talent liefst groots en spectaculair presenteert, heeft zij nu het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam verbouwd. Aan de tentoonstelling ging veel gejubel vooraf; misschien komt het daardoor dat de expositie teleurstelt.

Aladogan heeft het bureau omgebouwd tot een legerbasis, Army of me. Die oogt als een skate-ramp van bordkarton waarop een gigantische vliegmachine klaar staat om op te stijgen. Om de hoek is een donkere hangar met bloemen en rotsen van keramiek. Zelfontworpen, zilverwitte vlaggen bungelen aan de wand.

De vliegmachine is fascinerend. Wit als een ijskoningin, licht als piepschuim, met het elegante lijf van een vlinder en de uitgestrekte vleugels van een vleermuis. Ook de bommen op haar rug zijn sierlijk als honingraat. Maar het lichtvoetige wonder wordt bruut ontkracht door de enorme stalen steun waarop zij rust, hulpeloos als een mens met een rollator.

Heel even scheert Aladogans wereld langs de symboliek van Matthew Barney, die overesthetische landschappen creëert om zijn hoogstpersoonlijke, Freudiaanse fantasieën uit te leven. Heel even komt Armando in beeld met zijn verbazing over de onschuldige verschijningsvorm van het schuldige landschap.

Maar Aladogans legerbasis is te voor de hand liggend. Wie het laagje schoonheid wegkrabt, staat met lege handen. Want dat de militaire wereld van vlaggen en vliegmachines levensgevaarlijk én beeldschoon is, geldt sinds Leni Riefenstahl bepaald als een open deur. En dat een vallende ster (schoonheid) een legerparachute (kwaad) dreigt te verpletteren, is als symbool van hoop wel heel erg kinderachtig.

Vanwaar de haast om Aladogan al ver vóór de open dagen van de Rijksakademie met zoveel bombarie te presenteren? Misschien is het beter haar talent nog even in alle rust te laten gedijen. Zij heeft tenslotte nog een heel kunstenaarsleven te gaan.

Meer over