Aard van het beestje

Op zoek naar ransuilen in de roestboom

Iedere week schrijft Caspar Janssen over een dier in zijn habitat. Wat typeert het dier en waarom doet het juist nu van zich spreken?

Caspar Janssen
null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Het is er een beetje bij gaan horen in de winter: uitkijken naar een roestboom met ransuilen. Zoals vandaag in Drenthe, in natuurgebied Het Groote Zand bij Hooghalen, met vogelonderzoeker Willem van Manen. Een roestboom is een boom waarin meerdere, soms wel tientallen ransuilen zich in de winter verzamelen. Overdag slapen ze, rond de schemering worden ze actief, dan verlaten ze een voor een de boom om ’s nachts te jagen op vooral veldmuizen. Van Manen vermoedt dat de roestboom voor de ransuilen vooral als ontmoetingsplaats dient, als plek om informatie over jachtgebieden uit te wisselen en misschien al een broedpartner te vinden.

Hier, op de overgang tussen bos en heide, was in ieder geval twee weken geleden nog een roestboom. ‘Dit is ook een geschikte plek’, meent Van Manen. ‘Een kluitje dennen vanwaar ze kunnen uitvliegen naar open land, daar houden ze van.’ Vooralsnog hebben we geen geluk. Van Manen vindt her en der braakballen, en poep, maar de ransuilen zelf lijken gevlogen.

Hij houdt in dit gebied al tientallen jaren de veranderingen bij. ‘Eind jaren tachtig kon je in deze boswachterij twintig tot dertig paartjes ransuilen vinden. Nu hoogstens enkele.’ Dat is ook het landelijke beeld, gestage achteruitgang. Minder dan drieduizend broedparen zijn er nog in Nederland.

De achteruitgang liep gelijk op met een andere trend: schaalvergroting in het landschap, niet alleen in het agrarisch gebied, maar ook in de natuurgebieden. Van Manen: ‘Vroeger had je tegen het bos aan altijd nog wel een paar kleine boeren, nog wat graslandjes. Een rafelig tussengebied. En in de bossen zelf had je nog voerakkers. Die kleinschaligheid is verdwenen.’

null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Toch zou het goed kunnen, meent Van Manen, dat de teruggang van de ransuil hier nog een andere oorzaak heeft: het verdwijnen van de konijnen, en van postduiven. De samenhang der dingen: ransuilen maken zelf geen nest, ze maken doorgaans gebruik van oude nesten van kraaien en eksters. Juist kraaien en eksters zijn sinds de jaren tachtig de bossen uit getrokken, naar de steden en dorpen. Dat had weer te maken met toegenomen predatiedruk door de havik. Die had konijnen en postduiven als favoriete prooien. Van Manen: ‘Vroeger miegelde het hier van de konijnen. Maar die zijn verdwenen door de ziekte VHS. En duiven melken is in Drenthe een bijna uitgestorven hobby.’ De havik richtte zich noodgedwongen op alternatieve prooien, zoals kraaien, eksters, sperwers, jonge ransuilen. Kraaien en eksters trokken daarop naar de veiliger dorpen en steden. Met ransuilen in hun kielzog.

Nu ja, vandaag doen we het met de braakballen van de uilen, met resten van veldmuis.

Een paar dagen later, in een dorp boven Amsterdam, lukt het wel. Hier zag ik een paar jaar geleden de ransuilen voor het eerst. De roestboom stond bij een schoolplein, schijnbaar onverstoorbaar zaten de uilen daar dag na dag te suffen. En nu hoor ik van een kennis uit het dorp dat ze er gewoon weer zijn. In een andere boom, die is overwoekerd door klimop. Een ideale slaapplaats, zo stellen we vast: achter de bladeren van de klimop kunnen de ransuilen zich goed verschuilen. Maar de eerste ransuil dommelt gewoon open en bloot op het uiteinde van een tak. Nog drie andere ontwaren we. De aanblik van grote, slapende uilen, het werkt best geruststellend.

Meer over