Op zoek naar de wereld buiten Europa

TRADITIONEEL WORDEN de Middeleeuwen altijd gezien als een 'tussenperiode', een overgangsfase in de geschiedenis die met de Renaissance weer zijn loop van vooruitgang en vernieuwing hervindt....

De Belgische historicus Henri Pirenne wees er al op dat de Middeleeuwen pas met Karel de Grote zijn begonnen en niet met de ineenstorting van het Romeinse Rijk. Volgens anderen zijn de eerste sporen van de Renaissance al in de twaalfde eeuw te vinden. Zo blijft er al niet veel meer van de periodisering over.

De periode van ongeveer 1150 tot ongeveer 1350 is gekozen tot thema voor het centraal schriftelijk eindexamen geschiedenis in 1998 en 1999. De Groningse hoogleraar Dick de Boer stelde naar aanleiding van dit thema dat 'omstreeks het jaar 1100 Europa de stap maakte van een nogal passieve, in zichzelf gekeerde uithoek van de wereld naar een naar buiten gerichte, expansieve samenleving'. Deze invalshoek is eveneens terug te vinden in de door De Boer geredigeerde bundel Kennis op kamelen - Europa en de buiten-Europese wereld (1150-1350). De bundel geeft een goed beeld van deze veranderingen en biedt daarnaast ruimte aan eigentijdse bronnen zoals reisverslagen, liederen en landkaarten.

De belangstelling voor de middeleeuwse geschiedenis is lang 'naar binnen gericht' geweest. Historici hadden weinig oog voor de contacten tussen Europa en de rest van de wereld. De reizen van Marco Polo vormden een opzienbarende uitzondering, maar pas na Columbus zou de wereld voor Europa open liggen. De laatste jaren gaat men er echter van uit dat al in de Middeleeuwen uitgebreide contacten plaatsvonden en dat de Europese identiteit mede gevormd is door deze contacten met de buitenwereld.

In de periode die in het boek centraal staat, vertoonde de Europese samenleving een nieuwe dynamiek. Er kwam een actieve belangstelling voor landen en volkeren in andere werelddelen. De verhouding tot de Arabische wereld kreeg in deze periode een bijzonder karakter. Aan de ene kant kwamen religieus-politieke tegenstellingen naar buiten in de vorm van de kruistochten en de Reconquista in Spanje. Daarnaast nam Europa veel op het gebied van cultuur en wetenschap over van de Arabische wereld. Medicijnen, wiskunde en sterrenkunde zijn maar een paar voorbeelden van wetenschappen die voor een belangrijk deel via de Arabieren in Europa zijn terechtgekomen.

Rond 1150 werden de eerste vertalingen van de Koran in het Latijn gepubliceerd en konden Europese geleerden met eigen ogen kennis nemen van de inhoud van het geloof waartegen zij zich zo verzetten. Tevens ging men gericht op zoek naar teksten van bijvoorbeeld Aristoteles en Ptolemaios. Deze Griekse teksten waren in Europa verloren gegaan, maar dankzij Arabische en Perzische vertalingen wel bewaard gebleven. Vooral in Spanje en op Sicilië, waar christenen, joden en moslims dan wel niet mèt elkaar maar in ieder geval redelijk veilig naast elkaar leefden, schoten de 'vertaalbureaus' als paddestoelen uit de grond.

Een goed voorbeeld hiervan is de twaalfde-eeuwse 'collectie van Toledo', geschreven op verzoek van Petrus Venerabilis, abt van Cluny. Petrus vatte het plan op de Koran te laten vertalen teneinde de inhoud daarvan des te beter aan de kaak te kunnen stellen. Naast een vertaling van de Koran werd een aantal andere werken in het project opgenomen, waaronder een opmerkelijk Arabisch traktaat waarin de superioriteit van het christelijk geloof ten opzichte van de islam werd beklemtoond. In 1142 vertrok Petrus naar Spanje om het project op te zetten. Hij wist vier geleerden over te halen de Koran en de andere beoogde werken te gaan vertalen, een project waarin zij binnen een jaar zouden slagen.

In de eerste decennia van de dertiende eeuw schudde Europa op zijn grondvesten vanwege een nieuw gevaar uit het oosten. In een verbazingwekkend korte tijd wisten de Mongolen grote delen van Azië te veroveren en in 1241 ging Krakau in vlammen op. Associaties met Gog en Magog, de verdoemde volkeren die in het boek Openbaringen in verband werden gebracht met de antichrist, lagen voor de hand. Volgens de Bijbel, de teksten van de kerkvaders alsook veel middeleeuwse kaarten en wereldbeschrijvingen kwamen Gog en Magog uit het donkere noordoosten van Azië. De Mongolen werden gezien als een straf van God, als de verwerkelijking van de verkondigingen van het profetische boek Openbaring.

Paus Innocentius IV en koning Lodewijk de Heilige van Frankrijk stuurden franciscaanse boodschappers naar de Mongolen om hen tot het christendom te bekeren en het gezag van de paus te aanvaarden. De paters Johannes van Plano Carpini en Willem van Rubroek ondernamen onafhankelijk van elkaar de haast onmogelijke reis naar het verre Mongoolse rijk. Van beide gezanten zijn reisverslagen bekend. Dat van Plano Carpini is een officieel rapport. Hij beschrijft zakelijk de gewoonten van de Mongolen, hun uiterlijk, kleding en religie.

Rubroek is onafhankelijker en nieuwsgieriger en schrijft een persoonlijk verslag voor de Franse koning. Hij merkt als eerste de verwantschap tussen de Slavische talen op, hij geeft nauwkeurige details over het Chinese schrift en spreekt over de kennis van de Chinese artsen. Ook is hijzelf echt aanwezig in zijn verslag als hij vertelt dat hij met Pasen dwars door het kamp van de Groot-Khan een soort processie organiseert en samen met een wat aan lager wal geraakte monnik de beroemde hymne Vexilla regis prodeunt zingt, die de triomf van het christendom aankondigt. Pure provocatie in het hol van de leeuw, maar omdat niemand hem verstond had dit geen consequenties.

Met de verovering van China in 1279 voltooiden de Mongolen hun opmars. Hun leider Koebilaï stichtte de Yan-dynastie en regeerde over een immens rijk dat Marco Polo in zijn reisverslag zou noemen. Dankzij de 'Pax Mongolica' was het mogelijk op grote schaal handel te drijven tussen Europa en het Verre Oosten. De tocht was lang en niet van gevaren ontbloot, maar Europa kon langzaam maar zeker de kostbare schatten uit Azië ontdekken.

Dankzij deze vroege contacten had Europa kennis kunnen maken met de wereld zoals zij 'echt' was. Men baseerde zich traditioneel op klassieke auteurs, de Bijbel en de kerkvaders en paste hieraan de nieuw verkregen kennis aan. Rond 1350 gaat deze houding veranderen. Europa veranderde in een verstedelijkte samenleving, waar een nieuwe burgerlijke cultuur opkwam. Handel werd belangrijker en de eerste reizigers verkenden voorzichtig de Afrikaanse kusten. Het Europese wereldbeeld was definitief veranderd en de blik zou vanaf die tijd op de verre einder gericht zijn.

Charles Schoenmaeckers

Dick E.H. de Boer (redactie): Kennis op kamelen - Europa en de buiten-Europese wereld (1150-1350).

Prometheus; 312 pagina's; * 39,90.

ISBN 90 533 3669 9.

Meer over