Op zoek naar de sound van de stad

Met het kolderieke Soul Kitchen ontworstelt de regisseur Fatih Akin zich aan zijn reputatie als serieuze, actuele arthouse-lieveling. ‘Het was een bevrijding.’..

Door Floortje Smit

Goed, het zit Zinos óók niet mee. Zijn vriendin vertrekt naar Shanghai. Zijn zieltogende restaurant – waar onder anderen zijn criminele, gokverslaafde broer en een psychopathische kok werken – dreigt hem een financiële afgrond in te sleuren. En op de gekste momenten kan hij niet meer bewegen door zijn hernia.

Maar dat is natuurlijk allemaal klein bier vergeleken met een mislukte zelfmoordpoging, het constante gevoel van ontworteling, een dode prostituee in je huis, een brute mishandeling op straat of gevangen zijn in een destructief huwelijk. Een greep, kortom, uit alle problemen waarmee de Duits-Turkse Fatih Akin (1973) zijn eerdere hoofdrolspelers opzadelde. Sterker nog: met Soul Kitchen maakte de regisseur, die vooral bekend staat om zijn rauwe drama’s, een feelgood komedie waarin – en ook dat is uitzonderlijk voor Akin – allerlei verschillende nationaliteiten zonder problemen door elkaar heen leven.

Over Soul Kitchen, zo vertelt Akin tijdens het filmfestival in Toronto, heeft hij dan ook voortdurend getwijfeld. Het script lag al een paar jaar op de plank, maar het zou, net als de muziekdocumentaire Crossing The Bridge, zijn trilogie over liefde (Gegen die Wand, 2004), dood (Auf der anderen Seite, 2007) en het kwaad opnieuw onderbreken. ‘En ik was erg nerveus om zo met mijn imago van serieuze auteursfilmer te spelen.’

Aan de andere kant: zijn arthouse-films hadden ook een zware wissel op hem getrokken. Zijn met prijzen overladen zware drama Gegen die Wand werd een politieke discussie over tweede generatie-immigranten ingezogen; de ouders van de Turkse hoofdrolspeelster Sibil Kekilli kwamen er door het enorme succes opeens achter dat hun dochter eerder in pornofilms had gespeeld. En tijdens de laatste opnames van Auf der anderen Seite, dat draait om dood en verlies, overleed onverwacht ‘producent, vriend, mentor, leermeester’ Andreas Thiel.

‘Alsof je via bloemblaadjes bepaalt of iemand van je houdt, zo ging ik met het script van Soul Kitchen om. Ik doe het wel, ik doe het niet, ik doe het wel, ik doe het niet.’

Hij deed het toch. Juist door de dood van Thiel. ‘Hij was een grappige man, met intelligente humor – veel intelligenter dan in Soul Kitchen zit. Maar hij was een enorme fan van het script. Na zijn overlijden had ik het gevoel dat het tijd was voor iets lichters. Ik verlangde ernaar om eens een komedie te proberen. Ook omdat ik de beste regisseur wil worden die ergens hier’ – hij klopt op zijn hart – ‘verstopt zit. En dat word ik niet als ik de dingen herhaal waar ik succes mee had. Dan zou ik mezelf al gaan vervelen.’

Maar toch: pas nu de film de wereld over gaat, is de twijfel echt verdwenen. Vooral door de Speciale Juryprijs die hij kreeg in Venetië, waar de film zijn wereldpremière beleefde. ‘Een van de juryleden kwam naar me toe en zei: ‘Het is een goede film, grappig ook, maar we hebben het vooral bekroond omdat het zo dapper was om te maken.’ En dat moest ik even horen.’

Akin is inderdaad open en ontspannen, een week later, in de lawaaierige hotelbar van het Fairmont Royal York. Misschien omdat hij – vooral voor de gezelligheid – co-scenarist, goede vriend, hoofdrolspeler en restauranteigenaar Adam Bousdoukos heeft meegenomen. Maar vooral omdat bij de première in Toronto ook werd gelachen om de perikelen rondom Zinos, die nog wel eens overvallen wordt door een erectie bij een aantrekkelijke masseuse, en zijn restaurant, dat via een lustopwekkend ingrediënt kan veranderen in een soort parenclub.

‘Vrolijke gezichten zien in het publiek, dat is een heel nieuwe ervaring. Het geeft veel kracht terug.’

Maar dat wil zeker niet zeggen dat het zoeken naar de juiste toon geen worsteling was. ‘Hij is een heel grappige man’, zegt Akin terwijl hij Bousdoukos op de schouders slaat. ‘Maar voor Soul Kitchen moesten we echt ons gevoel voor humor leren kennen. Eerlijk gezegd ben ik niet dol op komedies. Dus we maakten een lijst van films die we wel grappig vonden. Die van Woody Allen, bijvoorbeeld, Jim Jarmusch, Billy Wilder.’

‘Peter Sellers’, voegt Bousdoukos toe.

‘Ja, en Charlie Chaplin, Buster Keaton. Die zijn we gaan analyseren. Hoorden we van een nieuwe komedie uit Italië, bekeken we die en vonden we dat we het beter konden. Maar dan zagen we weer een film van de gebroeders Coen en dachten we: dat niveau halen we nooit.’

Een ding was vrij snel duidelijk: geen overdreven kleuren of folklore à la ‘My Greek Fat Big Wedding of zoiets’. En de acteurs moesten vooral niet grappig spelen. ‘Ik heb zelf een hernia. Ik weet precies waarover ik praat. Soms vroeg Adam: ‘Als je rugpijn hebt, kun je dan een vrouw naar buiten dragen?’ En dan zei ik: ‘Ja, dat kan, maar daarna ben je ‘fucked’.’ Mijn eigen fysiotherapeute kwam op de set; zij zorgde ervoor dat hij precies zo beweegt dat het er realistisch uitziet.’

Wat de film vooral een opgewekte luchtigheid geeft en het verhaal voortstuwt, is de soundtrack vol funky soul. ‘Zo’n soundtrack met de favoriete liedjes van de regisseur, dat interesseert me niet. Ik wilde, net als in de documentaire Crossing the Bridge: the sound of Istanbul, op zoek naar de sound van de stad. De dingen die je op straat hoort, ombuigen tot een concept. Soul Kitchen speelt zich af in Hamburg en dat is, buiten Noord-Amerika, de beste plek voor soul. Traditionele soul.’ Maar Hamburg is ook een belangrijke plek voor elektronische muziek, en kent een specifieke rockscene, zo leerde Akin. Dat moest er dus ook in. ‘Ik was eerst bang dat het een lappendeken van geluid zou worden. Maar toen ik het terugluisterde, op chronologische volgorde, bleek dat het concept werkte.’

Het plaatst Soul Kitchen midden in de bruisende, trendy subculturen van eindtwintigers, begindertigers. En tegelijkertijd is het een ode aan de stad waar Akin geboren is en waar hij woont. ‘Ik ben dol op Hamburg. De bakker, de postbode, de vrouw van de supermarkt: allemaal vroegen ze me wanneer ik weer eens een film in Hamburg zou maken, zoals ik deed aan het begin van mijn carrière. En ik ben geen regisseur die dat koud laat. Het knaagde. Bovendien houd ik er erg van als een stad een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de film, zoals Taxi Driver en Midnight Cowboy ook films zijn over New York. In Istanbul kreeg ik vaak te horen dat ik als buitenstaander dingen liet zien die je niet meer opmerkt als je er woont. Dus het was meteen ook een uitdaging: kan ik dat ook doen voor de stad waar mijn dokter zit, waar mijn kind naar de crèche gaat, waar mijn leven zich afspeelt?’

Misschien is dat de reden dat in Soul Kitchen de hoofdrolspelers helemaal op hun plek zijn. ‘In mijn vorige films waren mijn personages altijd op zoek naar een thuis. Waar ligt mijn identiteit, waar kom ik vandaan, hoe verhoud ik mij tot mijn wortels enzovoorts. Zinos weet waar zijn thuis is. En daar vecht hij voor. Daar gaat Soul Kitchen in wezen over: het gevecht om je thuis te beschermen.’

Op een ander vlak staat Soul Kitchen juist verder van hem af dan zijn vorige films. Adam is een Griek; de Turkse gemeenschap in Duitsland, waartoe Akin behoort, speelt slechts een bijrol. ‘Sommige reacties op Gegen die Wand en The Edge of Heaven hebben me wel wat gefrustreerd. Voor mij was Gegen die Wand in eerste instantie een liefdesverhaal. Tot welke gemeenschap de hoofdrolspelers behoorden, deed er voor mij niet zo toe: het had zich overal kunnen afspelen waar liefde wordt vernietigd onder druk van een gemeenschap en waar mensen worstelen om daar onder uit te komen. Maar daarna barstte de discussie in Europa los – niet door mijn film, maar die werd er wel steeds in genoemd. Dat is niet de schuld van de pers hoor, want ik heb het ook over mezelf afgeroepen: ik heb het Turkse thema benadrukt. Auf der anderen Seite gaat over hoe de dood alle mensen verbindt. Dat had ik ook kunnen laten afspelen op de grens tussen Mexico en Amerika, in plaats van op de Europees-Turkse grens. Waardoor weer die Turkse component werd benadrukt.’

‘Wat dat betreft was Soul Kitchen een bevrijding. Ik merk het ook aan Turkse reacties; ze lijken wel dankbaar dat het eens niet over Turken gaat. Er valt natuurlijk nog veel meer te ontdekken dan ik heb laten zien; er zijn nog veel meer verhalen te vertellen. Maar ik ben er voorlopig klaar mee, de komende tien jaar ga ik me er in fictiefilms niet mee bezig houden. Ik klaag niet, maar wil mezelf ook niet herhalen: wat verteld is, is verteld. Europa is geworden zoals het is. Ik wil gewoon een verhalenverteller zijn en merkte hoe mijn verhalen ook instrumenten werden voor verschillende politieke groeperingen die het allemaal in hun eigen straatje passen. En ik dacht: kunst hoort zo niet te zijn. Kunst hoort méér te zijn.’

Meer over