interviewHenriëtte Post

‘Op ons subsidiebesluit volgt een enorm verlies aan banen bij de podiumgezelschappen’

De dag des oordeels is voor het Fonds Podiumkunsten altijd spannend. Maar in de coronacrisis is het afwijzen van subsidieaanvragen zwaarder, zegt directeur Henriëtte Post. ‘Je weet dat een enorm verlies aan arbeidsplekken volgt.’ Werkt het subsidiestelsel nog wel?

Henriëtte Post, directeur van het Fonds Podiumkunsten.Beeld Tim van Bentum

Zijn of niet zijn. Zelden raakte de verdeling van kunstsubsidies zo aan het voortbestaan van kunst- en podiumgezelschappen als in deze zomer van corona.

Het lot heeft bepaald dat juist op het moment dat zalen en musea slechts op een kier open kunnen om het virus te bestrijden, de overheid zijn grote vierjaarlijkse beslissingen neemt over wie wel en niet deel uit mag maken van het gesubsidieerde kunstleven. Nogal wezenlijk, want wie geen subsidie krijgt is al sinds jaar en dag voor een belangrijk deel aangewezen op kaartverkoop. En die is er nu niet of nauwelijks.

Het Fonds Podiumkunsten (FPK) maakte maandag zijn besluiten bekend. Voor de gelukkigen is dat altijd een moment van vrolijkheid, voor afvallers een moment van verdriet en soms woede. Maar het is deze keer toch nog anders.

‘Je weet dat als we nu zoveel gezelschappen niet honoreren, er vanwege de coronacrisis een enorm verlies aan arbeidsplekken volgt’, zegt directeur Henriëtte Post (64). Ze heeft sinds 2013 de leiding bij het Fonds, en is er al sinds de oprichting door het Rijk in 2008 aan verbonden.

Het loket voor het aanvragen van de onder musici en theatermakers begeerde meerjarige subsidies sloot op 2 maart om vijf uur ’s middags. Het FPK telde dat 202 muziek-, theater- en dansgezelschappen en 91 podiumkunstenfestivals een gooi deden naar de respectievelijk 21 miljoen en 6,1 miljoen euro die er tot en met 2024 jaarlijks onder hen te verdelen zijn. Samen nemen zij van Groningen tot Maastricht een stevig deel voor hun rekening van de cultuuragenda. Adviescommissies van deskundigen oordeelden inhoudelijk over de aanvragen, waarbij Post waakte over de zuiverheid van het proces.

Het FPK is een belangrijke schakel in het subsidiestelsel waar de minister van Cultuur, Ingrid van Engelshoven (D66), op Prinsjesdag met de inrichting van de Basisinfrastructuur (BIS) het fundament voor legt. Daar zitten sleutelspelers in die nodig zijn voor een bloeiend kunstenleven zoals symfonieorkesten, de grote toneelhuizen en de bastions voor opera en ballet. Om de artistieke ontwikkeling te bevorderen zitten daaromheen zes rijkscultuurfondsen voor onder andere beeldende kunst, film, literatuur en dus de podiumkunsten. Dan zijn er nog de gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor het rondkrijgen van de financiering voor de gebouwen waar podia en musea in huizen.

‘Het stelsel doorgronden is best ingewikkeld’, zegt Post met gevoel voor understatement. ‘Ik weet niet hoe lang jij erover hebt gedaan?’

De coronacrisis zet het subsidiesysteem onder druk. Het is een heksentoer om de culturele sector overeind te houden en weeffouten in de taakverdeling tussen de verschillende subsidiespelers komen aan het licht, zegt Post. ‘Ik pleit ervoor daar de komende tijd naar te kijken en de stedelijke regio’s daar meer bij te betrekken, zoals ook de wens van de Raad voor Cultuur is. Als we een stap verder zetten in het afstemmen van lokaal beleid en het rijksbeleid, dan kun je tot een betere inrichting van het stelsel komen.’

Van de 149 theater- en muziekgezelschappen die het Fonds subsidiewaardig vindt, kan het maar 78 aanvragers honoreren. De lijst afvallers is lang. Is er dus te weinig geld beschikbaar voor een goede sector?

‘Uiteindelijk is dat een politiek besluit: hoeveel heb je over voor de sector? Iedereen wist dat de keuzes scherp moesten zijn, omdat er een beperkt budget was. Iedereen heeft de afgelopen vier jaar snoeihard zijn best gedaan om als podiumkunstinstelling een plek in de samenleving te verwerven en nu om een goed plan in te leveren. Ik vind dat je dan niet kan zeggen: omdat er maar beperkt geld is, gaan we de lat nog hoger leggen en krijgen meer gezelschappen een harde afwijzing. Dat doet geen recht aan de sector.’

Publiceren jullie de lange lijst ‘onder de zaaglijn’ ook als signaal aan Den Haag: leg nog een paar miljoen extra neer, dan kunnen we dit ook doen?

‘Nee, want dat is niet aan ons. Hoeveel geld je uittrekt voor deze groep makers is een politieke keuze en ik hoop dat die weloverwogen wordt gemaakt.’

Hoor ik daar twijfel?

‘De keuze is een duivels dilemma. Wij zijn niet blind en zien hoe moeilijk de podia het hebben op dit moment. Ik denk dat er stemmen zullen zijn die zeggen: heel goed dat er nu maar zo weinig aanbod gehonoreerd kan worden, want er vallen misschien podia om of ze kunnen de komende anderhalf jaar nog helemaal niet voor een volle zaal programmeren. Dus dan is het niet erg als er minder aanbod is.

‘Tegelijkertijd is de aanname dat de coronacrisis nog anderhalf jaar duurt net zo onzeker als de aanname dat er over drie maanden een vaccin is. Als je nu besluit om de lijst te laten voor wat die is, dan weet je dat je over drie maanden met veel minder en veel minder veelkleurig aanbod zit dan je zou kunnen hebben.’

Het FPK oordeelt over elke aanvraag apart en niet in samenhang met aanvragen van gelijksoortige gezelschappen. Toch zijn uit de lijst afvallers trends te ontdekken: de jazz en geïmproviseerde muziek worden zwaar getroffen en met Discordia en Dood Paard lijkt een generatie theatergroepen te verdwijnen. Valt u dat ook op?

‘Bij de beoordeling van een aanvraag kijken we of er van dat type podiumkunst meer is in Nederland en als dat niet zo is dan heb je voordeel. Als we na afloop van de hele ronde, in samenhang met het advies van de Raad voor Cultuur, constateren dat er onverantwoorde witte vlekken zijn – en in de muziek zou ik me daarbij iets kunnen voorstellen – dan moet je nadenken over een soort Pokon-programma waardoor het klimaat voor dat genre kan opbloeien. Maar het is nu te vroeg om daar iets over te zeggen.’

De grenzen tussen de Basisinfrastructuur waar de Raad voor Cultuur over adviseert en de portefeuille van het Fonds lijken niet meer helemaal helder te trekken, schrijft u in de inleiding bij de subsidiebesluiten. Is de boel uit balans geraakt?

‘Ik kan me voorstellen dat een theaterfestival als Boulevard zich afvraagt waarom ze nou zo anders zijn dan de theaterfestivals Noorderzon of Oerol, die in de BIS zijn opgenomen. Boulevard zit nu bij ons in het Fonds. Dat onderscheid is niet meer zo makkelijk te maken.

‘Dat geldt op meer plekken: je ziet het aan het grote aantal dubbele aanvragen dat we gekregen hebben. Dat zijn gezelschappen die niet zeker weten: hier hoor ik thuis. Ze wedden op twee paarden en dat brengt veel extra werk met zich mee, want je moet overal andere plannen indienen. En het gaat nog verder: er zijn ook gezelschappen die voor de gemeentelijke Amsterdamse BIS een aanvraag hebben gedaan en voor de zekerheid ook nog bij het Amsterdamse FPK. Voor de BIS in Brabant geldt het ook. Het brengt een enorm circus met zich mee.’

Wat zou er moeten gebeuren?

‘We kunnen stappen zetten om meer rekening te houden met wat er regionaal gebeurt. Wij hebben bij de verdeling van de festivalsubsidies adviseurs betrokken uit de verschillende landsdelen. Festivals schreven zelf dat ze geworteld zijn in hun regio, en daar een rol spelen in de maakcultuur. Dat konden die adviseurs goed beoordelen. Festivals hebben heel lang te boek gestaan als alleen een podium, een presentatieplek waar je ook wat avontuurlijker kon programmeren omdat het publiek voor de hele belevenis kwam. Maar dat stadium zijn we voorbij, want festivals hebben een veel grotere betekenis gekregen in de artistieke ontwikkeling van de podiumkunsten in verschillende regio's.’

Moet de subsidieverstrekking dan ook naar de regio’s worden verplaatst?

‘Dat is altijd een ingewikkelde discussie, omdat voor gemeenten geen wettelijke plicht bestaat om budget voor cultuur te oormerken. Dan heb je dus altijd het risico dat het verdwijnt in een andere pot. Ik weet niet of dat de oplossing is.

‘Maar wat de coronacrisis duidelijk maakt, is hoe ingewikkeld het podiumkunstenstelsel is. Het Rijk is verantwoordelijk voor de financiële risico’s van het aanbod van voorstellingen en de gemeente is verantwoordelijk voor de financiële risico’s van de podia. Het Rijk kan nu wel besluiten heel veel aanbod te subsidiëren en de rijksbegroting mag daar eventueel ook voor in de min gaan, maar de gemeentelijke begroting mag dat niet. Dat levert voor veel gemeenten een vraagstuk op hoe ze de podia in de lucht houden. Terwijl het aanbod dat het Rijk subsidieert erbij gebaat is dat die podia overeind blijven. Ik hoop dat de komende periode wordt nagedacht hoe we daar op een slimmere manier mee kunnen omgaan.’

Het Fonds kijkt met ‘een zekere mate van coulance’ naar de uitvoering van plannen die allemaal dateren van voor corona. Hoe lang blijft dat gerechtvaardigd?

‘Ik kan geen datum noemen. Maar het zal niet zo zijn dat als dit nog vier jaar duurt en er nauwelijks activiteiten kunnen plaatsvinden, de gehonoreerde aanvragers het toegezegde geld dan automatisch mogen houden. Dan zullen we goed moeten afwegen hoe we daarmee omgaan. Het gaat om overheidsgeld en dus zul je rechtmatigheid en doelmatigheid moeten verantwoorden.’

Dus ze kunnen dit de komende jaren niet zien als verkapte inkomenssteun?

‘Nee, dat kan niet. Maar daar ben ik ook niet bang voor.’

In juni riep de cultuurwereld het kabinet op met een herstelplan te komen om de 2,6 miljard aan inkomsten die het door de coronacrisis misloopt op te vangen. Maar daar is tot nu toe nog geen sprake van. Wel heeft minister van Engelshoven aan het begin van de crisis 300 miljoen euro extra uitgetrokken voor de gesubsidieerde kunsten.

Meer over