Aard van het beestje

Op lange termijn krijgt de akkerhommel het met zijn bontjasje erg warm in Nederland

Caspar Janssen gaat weer wekelijks op zoek naar een dier in zijn habitat. Wat typeert het dier? En waarom doet het juist nu van zich spreken?

akkerhommel Beeld Margot Holtman
akkerhommelBeeld Margot Holtman

Het is het eerste beestje dat ik zie op mijn balkon, eenmaal terug van vakantie. Hij drinkt nectar uit het koninginnenkruid: de akkerhommel. Makkelijk te herkennen aan dat oranjebruine borststuk. Verder is de akkerhommel overwegend zwart, met dan weer wel een oranje punt. Die pluizige bruine beharing op het bovenstuk heeft wel iets van een kort bontjasje.

De akkerhommel is er eigenlijk altijd, sinds ik drie jaar geleden mijn balkon begon in te richten met planten voor insecten. En bijna het hele jaar door, vanaf eind maart tot in oktober. Eerst komen de koninginnen, in al hun glans en heldere kleuren, dan de kleinere werksters, daarna komen ook nieuwe mannetjes tevoorschijn, en dan nog de nieuwe koninginnen, die als enige zullen overleven en gaan overwinteren, ergens in een gaatje in de grond. Er zijn dagen dat hier meer dan tien akkerhommels tegelijk foerageren. Ze vormen een prettige, bijna vanzelfsprekende aanwezigheid.

De akkerhommel is in Nederland de meest algemene en wijdverspreide bijensoort. Daar storten onderzoekers en beschermers zich doorgaans niet op. ‘Misschien is dat wel gek’, zegt Martijn Kos, hommelspecialist van het EIS Kenniscentrum Insecten. ‘Want de algemene soorten spelen natuurlijk een grote rol in de bestuiving van wilde planten en gewassen. Als de akkerhommel zou wegvallen, zou dat een heel groot effect hebben op de flora.’

Door verschillende eigenschappen, zoals een lange tong en veel variatie in grootte, kunnen akkerhommels voedsel vergaren bij meer dan tweehonderd wilde plantensoorten. Op mijn balkon vliegen ze al vroeg in het jaar naar de witte dovenetel, later in het jaar naar bijna alle planten.

Maar toch. Een soort als de akkerhommel komt weliswaar in alle landschapstypen in Nederland voor, maar dat zegt nog weinig over de trends in aantallen. Die worden pas sinds een paar jaar bijgehouden. Het is aannemelijk, zegt Kos, dat akkerhommels en andere hommels in landelijk gebied veel minder voorkomen dan voorheen. Omdat er minder bloemen zijn, ook in natuurgebieden, omdat moderne pesticiden lang actief blijven, omdat er minder nestgelegenheid is. ‘Vroeger was er op het boerenland ook altijd wel een stukje dat werd overgeslagen met maaien, dat is nu zeldzaam.’

Lastig, want een typisch akkerhommelnest bevindt zich bovengronds; de koningin maakt een holletje van mos of oud gras. De akkerhommel is wel flexibel in de nestkeuze. Nesten zijn ook gevonden in muizenholen, in oude schoenen, in vogelnestkastjes, in de voering van een jas op zolder.

De nesten zijn – als ze niet toevallig in een schoen zitten – moeilijk te ontdekken. Kos: ‘De enige keer dat ik een akkerhommelnest zag, was toen ik er toevallig naast zat.’ In de kolonies leven gemiddeld negentig individuen. Akkerhommels zijn zelfs als je hun nest openmaakt niet agressief. Kijk, dat past in de sfeer van goedmoedig en niets aan de hand.

akkerhommel Beeld Margot Holtman
akkerhommelBeeld Margot Holtman

Dan zegt Kos, voor de ontnuchtering: ‘De meeste hommelsoorten in Nederland komen hier over honderd jaar niet meer voor, volgens de modellen. Door de klimaatverandering. Hommels zijn gemaakt om zichzelf warm te houden, om te overleven in een fris klimaat. Ze zijn slecht bestand tegen warmte.’

Nu ja. Nog maar even het huidige succes aanschouwen dan. In steden doet de akkerhommel het prima, Martijn Kos vermoedt een verband met extra aandacht in plantsoenen voor de planten waarvan insecten leven. Op mijn balkon zie ik dat de akkerhommels de hemelsleutel hebben ontdekt, die net in bloei staat. Ze hebben zeer waarschijnlijk nesten in de binnentuinen van dit huizenblok. Je zou de akkerhommel bijna gaan omdopen tot stadshommel.

Meer over