OP DE MILLIMETER

Met de komst van de fotografie, nam de waardering voor de 17de-eeuwse schilder Frans van Mieris af. Het Mauritshuis haalt hem uit de vergetelheid....

WIETEKE VAN ZEIL

Hoeveel mensen kenden Carel Fabritius vóór 2004, toen het Mauritshuis een overzicht van zijn werk liet zien? Of Gerard ter Borch, die dit jaar in het Rijksmuseum te zien was? Het is al een tijdje een trend, maar nu begint het echt op te vallen: monografische tentoonstellingen van 17de-eeuwse kunstenaars. Ongeveer ieder jaar kan het Nederlandse museumpubliek kennis maken met een oude meester die voor niet-kenners een onbekende is. Jaren was er nauwelijks waardering voor die schilders, nu krijgen ze een solo: Cornelis Gijsbrechts, Gerard Dou, Pieter Claesz., Michael Sweerts en-minder onbekend maar vóór de tentoonstellingen zeker ook minder geprezen-Jan Steen in 1997 en Johannes Vermeer in 1996.

En nu is er Frans van Mieris. Fijnschilder uit Leiden, geboren in 1635 en gestorven in 1681. Met 38 schilderijen en 7 tekeningen is hij vertegenwoordigd in het Haagse Mauritshuis. Waarom zouden we hem moeten kennen?

Van Mieris was leerling van Gerard Dou, de iets bekendere meester die zelf opgeleid was bij Rembrandt, en stichter van de zogenoemde School van Fijnschilders. Die schilderden zo precies dat de streek van de verf niet te herkennen is. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Rembrandt, wiens dikke lagen en klodders verf vaak van een afstand nog duidelijk te zien zijn. Sporen van paletmessen, dikke penselen en soms van de achterkant van het penseel zijn in diens werk zichtbaar, terwijl de fijnschilders er juist alles aan deden om, zelfs van heel dichtbij, de verf op niets anders te laten lijken dan wat er is afgebeeld. Dat werd gewaardeerd: Frans van Mieris werd tijdens zijn leven minstens zo goed en soms beter betaald dan Rembrandt. Hij schilderde voor rijke Leidenaren en was tot ver over de grens beroemd. De Florentijnse groothertog Cosimo de' Medici bestelde meerdere schilderijen bij Van Mieris. In 1660 betaalde de Duitse aartshertog Leopold Wilhelm voor De Stoffenwinkel, een schilderijtje van 55 bij 43 cm, 2000 gulden-evenveel als Rembrandt voor de gigantische Nachtwacht kreeg, en tweemaal de prijs van een gemiddeld woonhuis in de 17de eeuw.

Van Mieris is met recht een 'vergeten kunstenaar' te noemen-zelfs kunsthistorici moeten soms even nadenken bij het horen van zijn naam. In de 19de eeuw ging het mis met de waardering voor Van Mieris. Tot die tijd werd zijn werk fanatiek verzameld. Zijn voorstellingen werden geroemd om de nauwkeurigheid, de juiste verhoudingen en de haarscherpe details. Zoals de lichtroze wangen van een vrouw of een deukje in een tinnen kan. Het meest verbazingwekkende is het kleine formaat van de schilderijen, waardoor voorwerpen pietepeuterig precies geschilderd moesten worden. Zoals op het schilderijtje De Schilderkunst (1661), een allegorie die niet groter is dan een hand. Vrouwe Pictura heeft een masker om haar nek hangen, symbool voor het bedrog van de geschilderde illusie. Het masker heeft een huidskleur en toch is voor de kijker meteen duidelijk dat het een masker is en geen huid. Het harde materiaal is herkenbaar, terwijl de huid van de vrouw een zachte broosheid uitstraalt. Van Mieris beheerste dat realisme als geen ander.

Toen de fotografie opkwam, was daar geen behoefte meer aan. De werkelijkheid kon nauwkeurig worden vastgelegd met de camera, en de aandacht verschoof naar een interpretatie van de werkelijkheid, in plaats van een imitatie. Rembrandt werd naar voren geschoven en binnen een paar jaar tot nationale trots verheven. Al meer dan honderd jaar heerst die smaak, gebaseerd op het verschil tussen fotografie en schilderkunst, en in de tussentijd is Van Mieris uit de populariteit verdwenen. Hij werd denigrerend 'porseleinschilder' genoemd, omdat alles aan zijn figuren zo gladjes en fijn is.

Maar Rembrandt krijgt concurrentie nu de musea het publiek vaker 'onbekende' schilders voorschotelen. En zoals bleek uit het overzicht van Vermeer, kunnen die tentoonstellingen een groot effect hebben. Vermeer was al geliefd, maar pas na 1995, toen de tentoonstelling begon in Washington, ontstond er een ware smaakverschuiving. De schilder werd geprezen om zijn 'cinematografische' kadrering, of het 'filmische licht.' Als het publiek iets hedendaags herkent, kan een kunstenaar blijkbaar zo weer sexy worden. Die herkenning kan ook door een persoonlijk verhaal komen, zoals bij Carel Fabritius, die op jonge leeftijd om het leven kwam bij een grote kruitexplosie in Delft. Het Mauritshuis benadrukte bij hem vooral de tragische levensloop. Sinds de tentoonstelling kennen veel mensen meer van hem dan alleen Het Puttertje.

Ook Van Mieris heeft ingrediënten om een publiekslieveling te worden. Zijn levensloop was tragisch-hij verzoop vrijwel al zijn inkomsten, liet met zijn dronken hoofd een schilderij dat voor Cosimo de' Medici bedoeld was staan in een herberg, en hij had aan het eind van zijn leven geen cent meer. Toch is de vraag of met deze expositie een grote populariteit op gang komt.

Want Van Mieris' oeuvre brengt niet, zoals dat van veel andere schilders, één duidelijk beeld naar buiten. In het Mauritshuis is te zien dat hij goed was in veel dingen, maar nergens in uitblonk. Hij 'deed' boerenscènes en rijke dames, verborgen symboliek en mythologische verhalen. Hij schilderde soms met gedempt licht en soms met een heldere glans over de hele voorstelling. De lichaamsverhoudingen van zijn figuren zijn vaak goed, maar soms ook gênant slecht.

Terwijl Ter Borch wordt onthouden vanwege zijn satijn en de spanning tussen de figuren, Vermeer om het licht en de onaantastbare sereniteit van de geschilderde personen, en Jan Steen om het humoristische moralisme, is Van Mieris' oeuvre te weinig consistent om echt te blijven hangen. Hij heeft, behalve het fijnschilderen, geen 'unique selling point'.

Van Mieris ging bovendien aan het eind van zijn carrière overdrijven: satijn begint op lakleer te lijken, zo hard glanst het. Bruin fluweel lijkt wel koper. En, of het nu door zijn dronkenschap komt of niet, de verhoudingen raken zoek in zijn laatste schilderijen. Dat maakt hem geen eenvoudige kunstenaar voor een grote rentrée.

Zijn werk is gebaat bij een strenge selectie op inhoud en kwaliteit. In de tentoonstelling Love Letters, twee jaar gelden in Dublin bijvoorbeeld, hing een aantal van zijn beste schilderijen van briefschrijvende of lezende vrouwen. Die bleven overeind naast de Vermeers en andere topstukken. Ook binnen een verhaal over verborgen symboliek passen sommige van Van Mieris' werken naadloos. Zoals Het hondje (circa1660) en De doktersvisite (1657), die een subtiele liefdessymboliek hebben. Maar als oeuvre vallen de schilderijen een beetje tegen elkaar weg, door de onderlinge diversiteit en door de kwaliteitsverschillen. Het Mauritshuis lijkt zich daarvan bewust en heeft binnen de chronologie van de tentoonstelling thema's aangebracht.

Toch wekt de kern van zijn oeuvre, gemaakt in de jaren '60 van de 17de eeuw, indruk. Die schilderijen zetten Van Mieris neer als een schilder die een nieuwe waardering verdient. Schilder van fijne details. Zoals het bont, fluweel en satijn in de kleding van een meisje dat met een papegaai speelt-zelfs met een vergrootglas blijft het bont, fluweel en satijn, en geen verf. Of het schoothondje waar een man en een vrouw mee spelen, omdat ze dat nog niet met elkaar durven. De honderden details zijn honderden beslissingen die de kunstenaar nam, en succesvol uitwerkte. En dat is in niets te vergelijken met de fotografie.


Den Haag, Mauritshuis (Korte Vijverberg 8): Fijngeschilderde verhalen, schilderijen en enkele tekeningen van fijnschilder Frans van Mieris (1635-1681), t/m 22 januari; di t/m za 10-17u zo 11-17u. Tel. 070-3023435 (www.mauritshuis.nl).

Meer over