Op de grasmaaier naar de liquorstore Straffe verhalen uit het land van de country-muziek uit het land van de country-muziek

0 ALPH STANLEY WAS een jongetje van elf dat biggen mooie beesten vond. Varkensboer, dat wilde hij worden. Maar moeder Lucy speelde de banjo met haar rechterhand gekromd als een klauwhamer en Ralph hoorde hoe ze liedjes zong als Cluck Old Hen en Shout Little Lulie....

De zeug van tante Rosie had biggen gekregen. Diezelfde tante had een banjo waar ze niet meer naar omkeek. Moeder Lucy, die in haar winkeltje wat had bijverdiend, liet haar zoon kiezen tussen big en banjo. Zijn keuze maakte een einde aan alle dromen over een toekomst als varkenshouder. Ralph Stanley werd een van de beste bluegrass-muzikanten, een man in wiens muziek de 'high lonesome sound' van de Appalachen weerklinkt, de bergen van zuidwest Virginia, waar hij opgroeide en nog steeds woont.

Daar, achter het huis van zijn grootvader, zijn de Hills of Home, het familiekerkhof waar hij zijn broer Carter begroef, met wie hij als de Stanley Brothers beroemd werd, en die zich op 41-jarige leeftijd dooddronk. Daar ligt ook de grote, met een banjo versierde granieten steen, waaronder hij zelf zal komen te liggen. Een eindje verderop liggen de enige niet-Stanleys's begraven: een Harley Davidson-rijder die stierf aan een overdosis en te kennen hadden gegeven het kerkhof van de Stanley's de mooiste plek op aarde te vinden, en diens zoon. 'Die deed hetzelfde, vertelde Stanley. 'Stierf een jaar later aan een overdosis. Die ligt hier ook.'

In de gesprekken die Nicholas Dawidoff voerde met een aantal van de grootste muzikanten uit de countrymuziek, zijn ziekte, dood en zelfvernietiging nooit ver uit de buurt. Charlie Louvin haalt herinneringen op aan zijn broer Ira, die door zijn vrouw werd neergeschoten nadat hij had geprobeerd haar te wurgen met de telefoondraad. Johnny Cash vertelt over zijn broer Jack, die jong stierf toen hij zich van borst tot dij openhaalde aan een zaagblad. En George Jones windt er geen doekjes om dat zijn ex-vrouw Tammy Wynette ooit de sleutel van al hun 27 auto's verstopte zodat manlief geen drank kon gaan halen, waarop Jones per gemotoriseerde grasmaaier naar de liquorstore reed.

In the country of country staat vol met dergelijke straffe verhalen. Maar het boek is veel meer dan de zoveelste bundeling van anekdoten uit het opzienbarende leven van countrysterren. Nicholas Dawidoff is daadwerkelijk teruggegaan naar de bronnen van de country, naar de stofnesten waar de muzikanten opgroeiden. Hij sprak met hen, maar ook met hun buren van vroeger, met familie en vrienden. Hij ging kijken in de beer joints waar ze optraden, in de supermarkt waar ze achter de kassa hadden gezeten, op de veranda waarop ze hun eerste passen hadden gezet. De gesprekken die hij voerde en de landschappen die hij zag vervlocht hij tot een boek.

Elk hoofdstuk is gewijd aan een muzikant - Chet Atkins, Sara Carter, Doc Mason, Merle Haggard; uit elke genre en uit elke periode een vertegenwooridger. Tijdgenoten en voorgangers vomen daarbij een achtergrondkoor. Emmylou Harris resoneert mee in het hoofdstuk over Bill Monroe, songschrijver Harlan Woward figureert bij Patsy Cline, en Hank Williams is eigenlijk overal aanwezig, overigens zonder een eigen hoofdstuk te krijgen.

Geen wonder dat de reportages doordrenkt zijn van ziekte en kindersterfte, van ongelukken en alcoholisme, van halve en hele wezen en van een eindeloze reeks gebroken huwelijken. De geschiedenis van de country is die van de armeluismuziek. Artiest worden was een van de zeldzame mogelijkheden om te ontsnappen aan de katoenvelden of een lopende band ergens in Detroit. Want dat is wat nagenoeg alle muzikanten die Dawidoff portretteert gemeen hebben: ze zijn geboren als white trash - als kind van sappelende ouders, die naar Californië emigreerden om de honger te snel af te zijn.

Wat dat alles met de muziek te maken heeft? Volgens Dawidoff - en volgens iedereen met wie hij sprak - is voor al deze muzikanten hun persoonlijke geschiedenis van doorslaggevende invloed geweest op hun muziek. Dat is volgens de schrijver meteen wat hen onderscheidt van de muziek die Nashville vandaag de dag als hot country de wereld instuurt. 'His songs lack both the rough edges and the feel for pressing experience that you find in the singing of people like George Jones, Merle Haggard and Johnny Cash', schrijft Dawidoff als hij het over Garth Brooks en aanverwanten heeft. 'Their lives have been really hard, something that's obvious from their singing. With Brooks there is often the sense that he is aping something he saw.'

Van die afkeer van hedendaagse country is het boek doortrokken. Daarmee bewijst Dawidoff Nashville meer eer dan het verdient. Zo kun je ook je twijfels hebben bij het feit dat hij Bruce Springsteen aanwijst als voornaamste erfgenaam van de grondleggers van de country.

Maar dat is detailkritiek op een overigens voortreffelijk boek, dat aannemelijk weet te maken dat muziek, mentaliteit en geschiedenis van de Verenigde Staten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Nicholas Dawidoff: In the country of country. Faber and Faber, import Nilsson & Lamm, ¿ 54,55.

Meer over