‘OOTMOEDIG KUS IK UW VOETEN’

Van Rubens zijn 252 brieven bekend. Die zijn nu in het Nederlands vertaald. De toon is hoofs – slechts één keer pikant....

‘Eene gematigdheid als die, welke men van het begin tot het einde in Rubens’ wenschen ziet doorstralen’, meent Conrad Busken Huet, ‘wordt niet zonder zelfstrijd verkregen.’ In Het Land van Rubens zegt hij overtuigd te zijn dat de schilder het saaie Antwerpen en het kleingeestig Brussel, ‘in zijn binnenste honderd malen verwenscht heeft’. Brabant of Vlaanderen was ‘geen voegzaam vaderland’ voor een genie als het zijne. Rubens’ huiselijk leven was eentonig. Hij vond het vreselijk ‘te moeten dansen naar de pijpen van prelaten zonder verstand, edellieden zonder opvoeding, burgemeesters vol bier en wansmaak.’ Gelukkig, zei hij, had hij een overheerlijk beroep, zijn dolcissima professione: Rubens was schilder én kosmopoliet.

Hij heeft zichzelf vaak geschilderd, zwierig en elegant als de hoveling van zijn stadspaleis. Rubens ontving er zijn buitenlandse gasten. Hij was een uitgesproken ‘heer van stand’, die met prinsen en hertogen correspondeerde. Wie zijn brieven leest, die nu voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald, krijgt de indruk die ideale hoveling te ontmoeten, die kunstzinnige, geleerde en hoofse edelman.

Zijn brieven zijn, misschien nog meer dan die schilderijen, een uitgesproken zelfportret. Hij schreef meestal in het Italiaans (‘dé beschaafde Europese taal voor wie Latijn toch een tikje te pedant begon te vinden’, zegt Leen Huet, bezorgster van de brieven), vaker in het Frans en het Engels, heel zelden in het Diets of Antwerps, en van sommige brieven bleven alleen Spaanse kopieën bewaard. Er zijn 252 brieven van Rubens bekend. Ongetwijfeld is veel verloren gegaan.

De vertaling berust vooral op de Codex Diplomaticus Rubenianus, zes delen ‘brieven en documenten’. Rubens speelde een belangrijke diplomatieke rol aan het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Zelden schreef hij om zijn hart te luchten.

De toon is zakelijk en diplomatiek, nooit pikant. Een enkele keer maar heeft hij het over kostbare gemmen die Nicolas-Claude Fabri de Peiresc hem had toegezonden, edelstenen waarin een goddelijke vulva met vlindervleugels was gesneden. ‘Waarom zij de vulva vergelijken met een huisjesslak’, schrijft Rubens, ‘kan ik me niet voorstellen, misschien om de holte van het slakkenhuis, wat een hoog receptakel is en zich aanpast aan de inhoud, of misschien omdat het een slijmerig en vochtig dier is.’

Hij vergelijkt de voelsprieten met de rand die oprijst langs beide zijden van het vrouwelijk geslachtsdeel wanneer ze opgewonden zijn. ‘Ik zeg dit vrijuit’, schrijft hij, ‘misschien is het vergezocht, maar het onderwerp is zeer obsceen.’

Soms zijn de brieven anekdotisch, wanneer hij weer maar eens over ‘de gebruikelijke bruutheid’ van de Hollanders schrijft, die in Duinkerken ‘ongeveer zestig van onze mannen, twee aan twee en rug aan rug samengebonden, in zee hebben gegooid, in meerdere keren, maar eenmaal met dertig tegelijk’. Vaker klinken ze hoofs, vooral brieven aan Zijne Doorluchtigheden, eindigend met de slijmerige zinsnede ‘ootmoedig kus ik uw voeten en in volkomen gehoorzaamheid beveel ik mij aan in uw goede gunst’, ondertekend met Pedro Paulo of Pedro Pablo en meestal met Pietro Pauolo Rubens.

Toen zijn vriend Peiresc stierf, werden in diens huis ruim tienduizend brieven aangetroffen, ook van Rubens. De meeste van die brieven gebruikte zijn erfgename ‘om het vuur mee aan te steken en om er krullen mee in haar haar te leggen’, schrijft Huet. Toch worden er nog steeds nieuwe gevonden. Binnenkort publiceert de Britse kunsthistoricus David Jaffé Rubens and His Friends – Some New Letters, met enkele onbekende brieffragmenten van Rubens, door Jaffé evenwel desgevraagd omschreven als ‘not much of interest’.

Meer over