Ooggetuige in het getto van Wilno; DE 39 SCHOOLSCHRIFTJES VAN JOURNALIST GRIGORI SZUR

DE LITOUWSE hoofdstad Vilnius, dat toen Wilno heette en nog bij Polen hoorde, had voor de oorlog een rijk joods leven en werd het Jeruzalem van het Oosten genoemd....

Een van hen, de journalist en schrijver Grigori Szur, noteerde gedurende de hele Duitse bezetting zijn bevindingen in schoolschriftjes. Vijftig jaar lang zijn die 39 schriftjes onopgemerkt gebleven. Ze werden in de oorlog door de Litouwse antifasciste Ona Simaite het getto uitgesmokkeld en verstopt onder een paar losse planken van een vloer in de universiteitsbibliotheek van Vilnius. Ook zij werd, wegens hulp aan joodse onderduikers, gearresteerd en weggevoerd naar een concentratiekamp in Duitsland, waar ze in 1945 werd bevrijd.

Na de oorlog stuurde ze vanuit haar nieuwe vaderland Frankrijk een brief naar het net opgerichte Joods Museum in Vilnius, waarin ze de geheime bergplaats beschreef. De schriftjes werden gevonden, maar er werd niets mee gedaan. Het museum kon op geen enkele vorm van medeleven of steun rekenen, elk intitiatief stuitte op onwil. In 1949, tijdens de stalinistische terreur, werd het museum opgeheven en raakte de collectie verdeeld over verschillende musea.

De notities van Grigori Szur uit het getto bleken terecht te zijn gekomen bij het Museum van Geschiedenis en Revolutie. Szurs dochter Miriam, die de oorlog had overleefd, had het geluk dat daar een oude vriendin bleek te werken. De medewerkster maakte, met veel moeite en gevaar voor ontdekking, een transscriptie van de aantekeningen. Szurs dochter nam de kopieën mee toen ze naar Israël emigreerde, maar kon ze nauwelijks ontcijferen. In 1994 bezocht Miriam Povimonski-Szur voor het eerst sinds haar emigratie Vilnius weer. Ze kreeg de kladschriftjes van haar vader te zien en mocht de gefotokopieëerde teksten meenemen. Ze kwamen terecht bij de Russische schrijver Vladimir Poroedominski, een neef van de auteur, die het werk van zijn oom heeft geredigeerd en bezorgd. Met de Nederlandse uitgave De joden van Wilno - Een kroniek 1941-1944 verschijnt de tekst voor het eerst in drukvorm.

Wat zich tijdens de oorlog in het getto van Vilnius heeft afgespeeld, is grotendeels bekend. De stelselmatig opgevoerde terreur van de nazi's en de rol van de Litouwse politie, die zich met een sadistisch genoegen aan de beulstaak wijdde, is achteraf, uit verhalen van overlevenden, gereconstrueerd. Het bijzondere van Grigori Szurs notities is dat ze juist geen reconstructie zijn, maar toen direct, heet van de naald, zijn opgeschreven.

Zijn notities vormen geen dagboek, ze zijn ook niet chronologisch. Ze waren, blijkt uit verschillende passages, opgezet als aantekeningen voor een later te schrijven boek. Szur hield op verschillende plaatsen in het getto schriftjes verborgen en pakte iedere keer het schriftje dat toevallig voorhanden was. 'Er was geen plek, geen papier, geen inkt', staat ergens. 'Ik schreef in vreselijk kleine ruimten, nu eens op de wc, dan weer in een loods; wanneer ik geen inkt had, schreef ik met potlood; ik schreef op mijn knie of op de vensterbank en bijna nooit aan tafel.'

Szur had een 'bevoorrechte' positie: hij was tewerkgesteld in een bontfabriek die winterjassen voor de Wehrmacht maakte. De fabriek werd het laatste toevluchtsoord voor de joden tijdens de finale vernietiging van het getto. Zijn dochter wist Szur nog het getto uit te smokkelen, maar hijzelf, zijn vrouw en zoon overleefden de vernietiging niet.

Het bijzondere van zijn aantekeningen zit in de toon. Slechts een enkele keer maakte hij zich kwaad, slechts een enkele zin eindigt met een uitroepteken. Hij stelde zich op als een observator, iemand die besefte dat hij geschiedenis meemaakte, er middenin stond. 'Wie had kunnen geloven', zo beginnen zijn notities, 'dat in de twintigste eeuw, in het hart van Europa, in een land waar de beschaving haar hoogtepunt had bereikt, een rassentheorie opgeld zou doen, dat er mensen zouden zijn die uit naam van de verwezenlijking van een ideologie in staat waren om dingen te doen die zelfs in de meest primitieve tijden onmogelijk leken. Leugen, demagogie, bruut geweld, wrede onderdrukking van ieder non-conformisme en liquidatie van andersdenkenden, een fijn netwerk van verklikkers en geheim agenten en de losgebarsten bloedige terreur alom, kwamen het nationaal-socialisme van pas om het eigen volk en de onderworpen volken te demoraliseren en vele duizenden mensen ertoe te brengen hun gelijken, en voor alles, de joden te vernietigen.'

En hij zette zich aan het werk, in een traditie van een humanistisch-documentaire journalistiek - nuchter, bedacht op de feiten, en voorzichtig met geruchten. Hij beschrijft nauwgezet, en met liefde, de kleine, opeengepakte en van de buitenwereld afgesloten gemeenschap, die keer op keer eerst door schokgolven van met opzet verspreidde geruchten werd gedemoraliseerd om dan, murw geslagen, te worden overvallen met razzia's en te worden vernietigd.

Hij slaat acht op de details, is een zorgzaam en begaan man, maar laat zich bij zijn journalistieke taak niet door emoties meeslepen. 'Het lijkt mij', schrijft hij, 'dat ik geen tijd zal hebben om alles uit te werken, te herschrijven en persklaar te maken. Laat diegene die dat doen zal, die de beschikking zal krijgen over mijn kladschriftjes; laat hij me mijn slordigheden, onduidelijkheid en onsystematische manier van schrijven vergeven. De omstandigheden waaronder gewerkt moest worden, waren heel ongewoon. . .'

Stap voor stap, in die vier jaar die de schriftjes bestrijken, werd de terreur opgevoerd. Het was een uitgekiend proces. De Duitsers wisten de joodse leiders aan zich te binden en gewillig te laten meewerken aan het vernietigingssysteem. Szur beschrijft de gruwelijke rol die Litouwse politieagenten speelden, totdat zij tot hun verbijstering zelf ook het slachtoffer van de Duitsers werden.

Het valt hem zwaar te schrijven over de joodse agenten van het getto, die zichzelf verrijkten met de spullen van de weggevoerden. 'Ze verklaarden hun misdadige praktijken uit de noodzaak voortdurend de Duitsers hun ijver te moeten bewijzen; anders, zo zeiden ze, zouden de joden het nog veel slechter krijgen.' Litouwse of Duitse soldaten zouden dan hun plaats innemen. De Duitsers verdeelden de bevolking in categorieën, in bevoorrechten en niet-bevoorrechten, mensen die van nut waren en 'de anderen, dat waren pechvogels, daar was niets aan te doen, het was moeilijk, het was oorlog'. Ze kweekten een apathische houding bij de achterblijvers over het lot van de opgepakten, tot de 'gelukkigen' er, maar altijd te laat, achterkwamen dat ze, als het erop aankwam, niet werden gespaard.

De gettoleiders en de joodse politie werkten overal aan mee. Szur noteert met afgrijzen een zuiveringexpeditie van joodse agenten uit Vilnius naar een plaats in de buurt. 'Het cynisme, of eerder sadisme, van de Duitsers bestond nu juist hierin dat de joden zelf dit afschuwelijke werk moesten opknappen.' De expeditie vermoordde 406 joden, hoewel de Gestapo 'oorspronkelijk 1500 jonge vrouwen en kinderen had gevorderd'. Toch werd het beschouwd als een succes: Litouwse agenten zouden er veel minder dan 406 hebben gedood.

De grote tragedie van het getto was het eeuwige laveren van de joodse leiding, hun geschipper met de Duitsers als het ging om medewerking aan deportaties en het voorkomen van vluchtpogingen uit het getto, opstand en gewapend verzet. De joodse leiders waren bang dat, als ze het verzet of de vluchtenden zouden steunen, het getto onmiddellijk geliquideerd zou worden. Toen dat moment toch aanbrak, bleek er geen verzet meer te zijn: gevlucht of even apatisch geworden als de rest.

Het bijzondere van Szurs notities is dat ze een verslag vormen. Hij kijkt niet terug, hij is ooggetuige. Juist doordat hij zo nuchter en bedachtzaam noteert, is dat huiveringwekkend. Terwijl hij schreef klonk nog de echo van geweerschoten en ontploffende handgranaten, het gebrul van de beulen en het geschreeuw van vrouwen, kinderen en gewonden om hem heen. Het is, in die journalistieke zorgvuldigheid, of je dat door de tekst heen hoort.

Aan het eind van de oorlog laadden de nazi's honderden gevangenen, de laatste overlevenden van het getto, aan boord van een paar schepen, sleepten die naar open zee en brachten ze tot zinken. Onder hen bevond zich ook Grigori Szur. 'Er was iets wat mij dreef', staat in een van die schriftjes gekrabbeld, 'wat van mij eiste: Schrijf, schrijf. Wat je niet opschrijft vergeet je.' En: 'Later kan te laat zijn.'

Willem Ellenbroek

Grigori Szur: De joden van Wilno - Een kroniek 1941-1944.

Bezorgd en ingeleid door Vladimir Poroedominski.

Vertaald uit het Russisch door Jacqueline Godfried.

Jan Mets; 233 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 5330 187 9.

Meer over