Reportage

Onze correspondent in Rusland loopt een ijsmarathon bij -29 º Celcius. Na afloop wil hij huilen

null Beeld Yuri Kozyrev
Beeld Yuri Kozyrev

Bekijk hier de volledige versie van dit verhaal

Zwijgende eenlingen nemen plaats in de ontbijtzaal van hotel De Vuurtoren. Een man in thermoshirt schuift de vitrage voor het raam opzij en observeert de stand van zaken buiten het hotel: ijsplaat tot aan de horizon. Hij neemt een slok koffie en maakt met zijn benen een strekbeweging.

Aan een ander tafeltje kijkt een vrouw op haar telefoon naar het weerbericht terwijl ze een volle kom muesli met melk leeglepelt. Ze ziet een plaatje van een zonnetje, het getal ‘-29°C’ en lepelt door.

Vasili, een man uit de Siberische stad Krasnojarsk, zegt wel wat. Hij zegt: ‘Als je het koud krijgt, moet je gewoon sneller gaan lopen.’ Dan tikt hij vier gekookte eitjes weg en verlaat de ontbijtzaal om zich om te kleden.

Zijn advies was gericht aan mij, zijn buurman in de ontbijtzaal en degene die wil weten hoe het voelt om hardlopend Ruslands grootste meer over te steken in de koudste periode van de Siberische winter. En er is maar één manier om daar achter te komen.

In theorie is Bajkal een meer. Maar de lokale bevolking weet wel beter. Die spreekt van een zee. Want in welk meer in het heelal is nou zoveel water aangetroffen als in Bajkal? Juist, in geen enkel meer. Ruim 600 kilometer lang, bijna 2 kilometer diep en een marathonafstand breed. Het IJsselmeer past er tweeduizendvierhonderdvijfenveertig keer in. En dan zijn er nog de aardbevingen en het onvoorspelbare Bajkalklimaat met dertig door meteorologen geïdentificeerde winden, waarvan de Chius-wind de beruchtste is.

Uit het reglement van de 17de editie van de Bajkal IJsmarathon: ‘De Chius is niet heel sterk, maar zeer bijtend en penetrant. Scherpe windstoten van de Chius kunnen zelfs al bij -10 graden Celsius gezichten en lichaamsdelen van lopers doen bevriezen via kleine openingen of gaatjes in sportkleding.’

Vijf minuten voor de start. De eenlingen uit de ontbijtzaal zijn onherkenbaar als ze de warme entreehal van hotel De Vuurtoren verlaten. 54 mannen, 6 vrouwen, aldus de deelnemerslijst. Hun hoofden zijn ingepakt in bivakmutsen, skibrillen en stukken antibevriezingstape. Hun voeten steken in hardloopschoenen met namen als The Icebug en Snowspike. Anderen hebben gekozen voor Yaktrax, sneeuwkettingen voor hardloopschoenen.

De ijzeren spijkertjes die uit mijn zolen steken, zijn zo scherp zijn dat ik er al een vinger aan heb opengehaald. Na lang twijfelen heb ik verder gekozen voor een muts over een bivakmuts, een windjack met drie lagen eronder, een thermobroek, een loopbroek, een nekwarmer, handschoenen vol eendendons, en een zonnebril tegen sneeuwblindheid – de zon schijnt en de ijsplaat werkt als een spiegel. Ik trek mijn bivakmuts nog wat verder over mijn hoofd en stap van +20 naar -29.

Op het ijs staat een draaiende monstertruck met het embleem van het Ministerie van Noodsituaties. Ernaast een stuk of zeven hovercrafts, een rij sneeuwscooters en een quad. Allemaal uitgerukt voor de veiligheid van de deelnemers van dit hardloopevenement.

Aleksej Nikiforov, de man die 17 jaar geleden besloot dat de Bajkal IJsmarathon een goed idee was, staat al klaar met zijn megafoon voor het startsignaal. Hij is zo nerveus als een krekel, ook al loopt hij zelf niet mee. Hij heeft medische certificaten van deelnemers geëist en bewijzen dat ze eerder marathons hebben voltooid binnen afzienbare tijd, maar hij weet als geen ander wat Bajkal kan doen met een mens, getraind of niet.

In 2018 stak halverwege de marathon plots een van de beruchtste Bajkal-winden op. Lichaamsdelen van lopers bevroren, sommigen raakten gedesoriënteerd. Nikiforov gaf opdracht tot evacuatie van de deelnemers per hovercrafts. Maar het zicht was zo slecht geworden dat een van de lopers pas 2 kilometer voor de overkant werd teruggevonden – uitgeput en dankbaar stapte hij in de hovercraft. Een bevroren Chinees werd opgenomen in een ziekenhuis.

Een tweede reden voor Nikiforovs nervositeit is de deelname van zijn goede vriend Arkadi, een man zonder een gram vet op zijn botten, maar wel al in zijn 74ste levensjaar. ‘Ik doe sinds de eerste editie mee, het is een traditie waar ik aan vasthoud’, zegt Arkadi tegen me. ‘We zullen zien hoe lang ik het red.’

Eenlingen zijn we niet meer bij de start. ‘Kom op, we gaan dit doen’, schreeuwt een jongen en hij slaat me op mijn schouder. Ogen vol leven kijken elkaar aan door bivakmutsen.

Ik haal diep adem door mijn neus en voel het vocht erin meteen bevriezen. Mijn hart klopt in mijn keel. 110 slagen per minuut al, zegt mijn horloge.

Tijd om de geesten te verzoeken. Bajkal is sjamanistisch gebied en geen van de deelnemers vindt dit het moment om daar aan te twijfelen. Om de sjamanen toestemming te vragen Bajkal te betreden, spat elke loper wat druppels melk uit een bekertje in alle windrichtingen, neemt een slok en voedt de overgebleven melk aan de ijsplaat. Een van de deelnemers heeft een avond eerder al in zijn eentje een ernstig gesprek gevoerd met het meer.

Ik hoor Nikiforov aftellen door zijn megafoon. Als hij nul bereikt, schreeuwt hij er meteen achteraan: ‘Opgelet, dit is geen wedstrijd!’ De overkant halen, ja, dat zou mooi zijn.

Daar gaan we. De ijsplaat op. Richting het grote niets voor ons. Nou ja, richting een vaag, golvend silhouet dat enkel zichtbaar is omdat het gebergte aan de overkant nou eenmaal 2.500 meter hoog is. Rechtdoor dus. Langs rode vlaggetjes die de organisatie heeft neergezet ter oriëntatie voor de lopers – en zodat zij een voorwerp hebben om noodsignalen mee te kunnen geven.

Meteen wordt duidelijk waarom er maar zestig mensen meedoen. De spijkers onder mijn schoenen hebben verbazingwekkend goed grip op egaal ijs, maar Bajkal blijkt niet echt egaal. Er zitten bobbels in, putten, soms steken er hele ijsscherven uit. Daar is het ‘kasseistrookijs’ al waarvoor gewaarschuwd werd in het regelement. Voor me klapt een enkel dubbel.

De groep is in een lang lint geslagen met grote gaten ertussen. Links en rechts stuiven hovercrafts naar voren. Die zijn verantwoordelijk voor de levensbelangrijke tussenposten met chocola, fruit en vooral: water. Niemand heeft zelf water meegenomen, want niemand wil tijdens deze marathon een blok ijs meesjouwen.

Energiegels en twee Mars-repen heb ik wel bij me. Of die bevriezen weet ik niet. In Moskou zaten er bevroren stukjes in de gels tijdens trainingen. Maar daar was het slechts -20 en heb je geen Chius-wind.

Voorlopig staat er alleen een briesje. Ik trek mijn bivakmuts uit om te voorkomen dat de glazen van mijn zonnebril blijven beslaan.

En dan, op een sneeuwstrook kort na de eerste tussenpost, zie ik sterretjes. Nu al, denk ik geschrokken. Ik knipper met mijn ogen. Het blijkt de glinstering van sneeuwkristalletjes die door het briesje de lucht in worden geblazen en boven het ijs dwarrelen. Ik kijk naar links en rechts en zie geen land. Alsof we over een oceaan lopen. Met alleen dat bergsilhouet in de verte om eraf te geraken.

‘Hoe heet je’, vraagt een stem naast me. De ingepakte loper met nummer 46 blijkt Goelsjat, een 31-jarige managementdocent uit de provincie Basjkirië. Ze zegt dat er ieder jaar iemand uit haar loopgroep meedoet aan de Bajkal IJsmarathon. Na twee marathons op asfalt vond ze dat het haar beurt was. Omdat ze van uitdagingen houdt en omdat ze haar hele leven Bajkal al eens wilde zien.

Een betere blik op het meer krijgt ze niet. Bajkal – Unesco-werelderfgoed wegens de schitterende zoetwaterfauna met onder meer een eigen zeehondensoort – is zo schoon dat je het water kan drinken en er ver doorheen kan kijken als het bevroren is. Door ingevroren bubbeltjes en langs wit uitgeslagen barsten. Ruim 20 procent van ’s werelds zoetwaterreserve bevindt zich onder onze voeten.

Dan klinkt er een doffe knal, gevolgd door een krakend geluid. De ijsplaat begint te bewegen.

Er was in het reglement al gewaarschuwd voor ‘zware, donderende knallen die klinken als kanonvuur’. Ze zijn het gevolg van drukverschillen in het ijs en van aardschokken – seismologen registeren jaarlijks zo’n tweeduizend bevingen onder Bajkal. Volgens de organisatie hoeven de lopers zich geen zorgen te maken. ‘Dit fenomeen zal geen brede ijsopeningen veroorzaken.’

Iets verderop is er toch een flinke kloof ontstaan in de ijsplaat. De eerste lopers moeten springen om niet in het ijswater te plonsen. Als ik aankom is de monstertruck van het Ministerie van Noodsituaties ter plekke en ligt er een metalen loopbrug over de kloof.

Na het middelpunt van het meer lijken de hovercrafts met hun thee en chocola steeds langzamer dichterbij te komen. De bezetters van de posten zijn onze enige supporters. ‘Je bent er bijna’, zegt een vrouw met thee. Aardig bedoeld, maar het is nog zeker 15 kilometer.

Boven het ijs hangt solidariteit die ik in Rusland niet eerder heb aangetroffen. Een man met een baard waarin een paar ons ijs lijkt te hangen, moedigt anderen aan terwijl hij zelf nauwelijks vooruitkomt. Als de helft van mijn sportgel bevroren blijkt, biedt Goelsjat haar gel aan.

Maar dan komt kilometer 30 en is het ieder voor zich. De wind is aangetrokken en heeft een nieuw obstakel op het ijs getoverd: een sneeuwwoestijn. Met sneeuw die zo mul en diep is dat je er tot over de enkels in wegzakt. Het is zoeken naar hardere stukken, maar elke stap is mis. Ik struikel, zwalk en spartel. Bij een zwieper naar rechts schiet er een krampscheut in mijn kuit.

‘O-fi-gjet’, hijgt nummer 9. Dit is dwaasheid, ja.

Ik hoor achter me een medeloper kreunend in de sneeuw ploffen. Een ander valt op de knieën en krabbelt weer op. Bij de laatste controlepost, op 7 kilometer van voltooiing van de ijsmarathon, voert een sneeuwscooter een Japanner af in een slee – knie kapot.

Wandelen is geen optie, dan slaat de kou ongenadig toe. Die wordt steeds voelbaarder nu de wind aantrekt. Blijven hardlopen dus, of iets dat er op lijkt. Ik kijk niet meer vooruit naar de kust, maar alleen nog omlaag naar de sneeuw, zoekend naar een pad.

Weer een donderslag van onder het ijs. Ik ga er heel even harder van lopen. Kort erna is het uitwijken voor een gapend wak.

Plots klinkt een bekend geluid: de fluit van de Transsiberië Express, de trein die door zeven tijdzones trekt en die ik iedere dag zie aankomen vanuit het raam van mijn flatje in Moskou. Het geluid van het vasteland. Ik kijk op en zie wat vlaggen met ernaast een vrouw met potlood en papier die eindtijden lijkt te noteren.

Met de armen in de lucht passeer ik haar. Ik zie dampende lichamen geknield op de ijsplaat. Mensen met bevroren wenkbrauwen staan te huilen. Ik voel dat ik ook wil huilen.

Goelsjat heeft zich ook op het ijs gestort. ‘Het voelt alsof ik opnieuw ben geboren op Bajkal’, zegt ze. ‘Als een nieuw mens.’

Vijf minuten later lig ik languit in een verwarmd halletje. Gesmolten stukjes ijs sijpelen uit mijn wenkbrauwen. Dan, langzaam, word ik me bewust van de leegheid in mijn leven tot de Bajkal IJsmarathon.

Meer over