Ontdek de zin van waanzin

Het is een schets die onmiskenbaar het stempel van de jaren zeventig draagt. Minder duidelijk is dat het om een afdeling van een psychiatrische inrichting gaat - een afdeling zoals die alleen aan het begin van de jaren zeventig kon bestaan. Zijn er geen verplegers? Horen die de boel niet aan kant te houden, medicijnen uit te delen, voor een regelmatig dagpatroon te zorgen?

Er zijn verplegers. Maar ze zijn niet meer te herkennen aan een uniform. Ze delen ook niet graag medicijnen uit, omdat ze ervan overtuigd zijn dat medicijnen de problemen verdoezelen en voorkomen dat patiënten 'aan zichzelf gaan werken'.

Ze hebben de verantwoordelijkheid voor orde en regelmaat op de afdeling teruggeven aan de patiënten. Als die in bed willen blijven liggen, niet willen douchen, geen trek in eten hebben: prima, eigen verantwoordelijkheid. Ze bestoken de patiënten - die 'bewoners' zijn gaan heten - met teksten als: 'Waarom ben je hier en wat ben je van plan daaraan te doen?', en: 'Ik denk niet dat er op deze manier veel verandert, maar daar kies je dan wel zelf voor'.

Ze zijn ervan overtuigd dat 'bespreekbaar maken' en eindeloos praten de gulden weg vormen naar genezing. Ze denken dat patiënten een crisis doormaken die, mits goed doorleefd, louterend kan werken. Ook als die crisis gediagnosticeerd is als schizofrenie of zware depressie. Ze hebben een broertje dood aan diagnoses. En als er al een diagnose is, luidt die meestal: 'losmakingsproblematiek van de ouders'.

Ze zijn, kortom, beïnvloed door het gedachtegoed dat in de jaren zestig en zeventig als een tornado door de psychiatrie trok en meestal wordt aangeduid met de ontoereikende term anti psychiatrie.

In haar proefschrift Baas in eigen brein - 'Antipsychiatrie' in Nederland, 1965-1985 blikt de historica Gemma Blok terug op een van de meest tumultueuze periodes uit de geschiedenis van de psychiatrie. Ze doet dat aan de hand van de afdeling Conolly van psychiatrisch ziekenhuis Brinkgreven in Deventer.

Het woord antipsychiatrie in de titel staat tussen aanhalingstekens omdat er geen duidelijke lading is die het dekt. Het is een parapluterm voor verschillende stromingen die met elkaar gemeen hadden dat ze het in de psychiatrie gehanteerde medische model aan flarden schoten. Sommigen dichtten psychiatrische ziekenhuizen vooral een sociale controlefunctie toe, in het leven geroepen om gevoelige, rebelse of afwijkende geesten murw te beuken met een keur aan barbaarse beheersingsinstrumenten: medicijnen, isoleercellen, elektroshocks en lobotomie. De hele handel afschaffen leek hun de beste oplossing.

Anderen werden veeleer gedreven door een onbegrensd therapeutisch optimisme: demp de waanzin niet met medicijnen en elektroshocks, maar luister ernaar en ontdek er de zin van. Mensen worden niet gek omdat er in hun hoofd iets mis is, maar omdat ze vastlopen in de interactiepatronen van gezin en samenleving. Toon begrip voor de waanzin, en ze zal uiteindelijk verdwijnen. De ideologen van dit gedachtegoed waren onder anderen de Britse psychiater Ronald Laing en de Nederlandse psychiater Jan Foudraine. Het is om deze stroming recht te doen dat Blok liever spreekt van 'kritische psychiatrie' dan van het negatief geladen 'antipsychiatrie'.

Het therapeutisch optimisme van Laing en Foudraine sloeg vooral in de periode 1965-1975 in als een bom. Hun boeken waren bestsellers, een film als One Flew Over the Cuckoo's Nest werd massaal bezocht. Dit ging niet meer over geïsoleerde patiënten, dit ging over iedereen. Lag niet iedereen overhoop met zijn ouders, met de samenleving? De theorieën van Laing en Foudraine pasten naadloos in de vrijheids- en gelijkheidsidealen van de jaren zestig. Sensitivity-trainingen bloeiden, het in contact komen met je ware zelf en het uitpluizen van gezinsrelaties werden gemeengoed.

Blok traceert zorgvuldig hoe deze ideeën voet aan de grond kregen in psychiatrische ziekenhuizen. In menig ziekenhuis werd een afdeling omgevormd tot therapeutische gemeenschap met nieuwe behandelvormen als groeps-, relatie- en gezinstherapie. Patiënten werden gestimuleerd te praten, 'aan zichzelf te werken' en zich vooral los te maken van mensen die hen kwetsten. De keuze van Blok voor een afgelegen doorsnee psychiatrisch ziekenhuis als Brinkgreven is om te benadrukken dat het niet om een randstedelijk modeverschijnsel ging, maar de hele Nederlandse intramurale psychiatrie beroerde.

Blok weet de sfeer van die jaren goed te treffen. Wie die tijd heeft meegemaakt, zal zowel het aanvankelijke optimisme herkennen, als de groeiende weerzin tegen het doorgeslagen vrijheids- en gelijkheidsdenken en tegen de toenemende arrogantie van hulpverleners die ongeneeslijke patiënten van onwil betichtten en ouders vaak ronduit bot bejegenden. Wie die tijd niet heeft meegemaakt, zal van de ene verbazing in de andere vallen. Wat bijvoorbeeld te denken van de paradoxale therapie die met graagte op Conolly werd toegepast? Dwing mensen tot het gedrag dat ze in hun gekte vertonen, en het houdt vanzelf op, was de gedachte. Zo kreeg een man die zich als baby gedroeg, twee weken lang elke avond de opdracht voor zijn bed te gaan staan en erin te plassen, om vervolgens in dat bed de nacht door te brengen.

De resultaten van de nieuwe behandelvormen vielen tegen. Schizofrenen bleven schizofreen en depressievelingen werden er niet blijer van. Na 1975 begon het tij dan ook te keren, de sfeer polariseerde en het optimisme maakte plaats voor harde acties. Na de jaren tachtig begon het medische model geleidelijk weer de overhand te krijgen, een proces dat tamelijk ongemerkt inzette. Dat roept de vraag op in hoeverre de biologische psychiatrie achter de revolutionaire façade gewoon kon blijven doorwerken. Het is jammer dat Blok daar op geen enkele manier uitsluitsel over geeft.

Inmiddels is de erfenis van de kritische psychiatrie nog hoofdzakelijk terug te vinden in de mate waarin familie en patiënten betrokken zijn bij de behandeling, en in het bestaan van cliëntenorganisaties.

Aan het nut van medicijnen bij zware psychiatrische aandoeningen twijfelt vrijwel niemand meer, en ook de elektroshocktherapie is aan een voorzichtige terugkeer begonnen. Bij de eeuwige pendelbeweging die de psychiatrie kenmerkt, wordt zelfs af en toe met een lichte weemoed gesproken over de ouderwetse, landelijk gelegen inrichtingen met rust, orde en regelmaat voor die patiënten die het in de maatschappij nooit zullen kunnen redden.

Gemma Blok: Baas in eigen brein - 'Antipsychiatrie' in Nederland, 1965-1985.
Nieuwezijds; 288 pagina's; euro 24,95.
ISBN 90 5712 173 5.

Meer over