Onland en Geestgrond

Onrust over het landschap

Schoo H.

Is Polders! Gedicht Nederland uit 2005 van landschapsarchitect Adriaan Geuze en publicist Fred Feddes een uiting van neo-nationalisme? Het is een monumentaal werk, de gebruikelijke kruising tussen koffietafelboek en verhandeling, en het bepleit lyrisch een herwaardering van zowel het open Hollandse polderlandschap als de terugkeer van de ordenende hand van de ontwerper, liefst als Grote Greep. Behoudzucht én vernieuwingsdrang in de strijd tegen de verloedering van het Hollandse landschap, dat ten prooi is aan slonzig beheer van lokale overheden en beleidsmatige verwaarlozing door een terugtredende centrale overheid.

Om de kwestie scherper te stellen: Geuze zet zijn argumentatie kracht bij met een beroep op een Nederlandse traditie van gedurfde waterstaatkundige werken en robuuste ruimtelijke ordening. Die 'moderne' kwaliteiten hebben Nederland tot Nederland gemaakt en zijn, na jaren van angstvallig aanmodderen, aan een broodnodige renaissance toe. Blijft die achterwege, dan slibt de polder onherroepelijk dicht, verdwijnt de horizon uit het landschap (en de koe, niet te vergeten), en komen er nog meer willekeurig neergesmakte tweederangs 'zichtlocaties', retro-woonwijkjes en armzalige nieuwe 'natuur'.

Polders! is onderdeel van een golf van onrust en ongerustheid over wat Nederland deze jaren landschappelijk overkomt, vergelijkbaar met die van een eeuw geleden, toen verontruste burgers natuurbeschermingsorganisaties stichtten. Indertijd bedreigden industrialisatie en ontginningen van 'woeste gronden' een nog goeddeels traditioneel landschap. Nu wordt Nederland een ander, lelijker land door uitwaaierende bedrijvigheid, suburbanisatie, de ontbinding van de grote steden, intensieve landbouw, een - vermeend of niet - neoliberaal ruimtelijk laissez-faire en een vrijwel ongebreidelde automobiliteit.

Opvallend is de terugkeer in dit debat van het door modernisten geschuwde begrippenpaar 'mooi' en 'lelijk'. Met een 'deltaplan voor het landschap' à raison van twaalf miljard euro wil de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap, recent ontpopt uit de Vereniging Das&Boom, Nederland 'weer mooi' maken. En bestuurskundige Roel in 't Veld begon met enige getrouwen een 'Volksbeweging tegen de Lelijkheid'.

Erg volks lijkt die beweging vooreerst niet, en hetzelfde geldt voor het actuele 'natuur'-alarmisme in het algemeen. De zorgen over een falende ruimtelijke ordening en de gevolgen daarvan voor het landschap lijken voornamelijk een zaak van deskundigen en andere direct betrokkenen. Hoewel de provincies op dit terrein een hoofdrol vervullen, wilde ruimtelijke ordening in de campagne voor de afgelopen Statenverkiezingen maar niet tot een issue uitgroeien.

Het elitaire karakter van het nieuwe natuurbewustzijn - als dat al het juiste woord is - was ook goed zichtbaar in het recente protest tegen de mogelijke aantasting van het Naardermeer door de eventuele aanleg van een tunnelweg langs het Gein. Allerlei prominenten gaven theatraal acte de présence, maar in de Bijlmer werd boosaardig gegnuifd over zoveel not in my backyard-activisme. Het alternatief voor aantasting van het Naardermeer was immers dat het verkeer dan maar door hun woonwijk geleid moest worden.

Pioniersrol

Met dit alles vervulde het Naardermeer voor de tweede keer een pioniersrol. Ooit bracht de plas, bestemd voor het storten van Amsterdams huisvuil, het tot eerste natuurmonument van Nederland. Dat was in 1906, een jaar na de oprichting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, de eerste ronde in de strijd voor behoud van natuur en landschap. Precies honderd jaar later stond het symbool voor de tweede ronde: als we nu niet pal staan, is alles mogelijk, dan ontglippen ons de laatste resten open Hollands landschap.

Dat juist het Naardermeer tot icoon van de bedreigde natuur kon uitgroeien, getuigt van de dubbelzinnigheden die aan natuurbehoud in Nederland kleven. Van 'echte' natuur is nauwelijks sprake. Eerder is het Naarder

meer een 'cultuurmonument', een door historisch toeval 'ontpolderde' polder.

Dat is allemaal geen reden om er meewarig over te doen, laat staan zo'n gekoesterd gebied alsnog te offeren op het altaar van de vooruitgang.

Nederland bestaat nu eenmaal uit cultuurlandschap, een feit waarvan ook de vroegste natuurbeschermers doordrongen waren. Ook zij vormden een elite, een gideonsbende.

Vorig jaar wijdde Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden een heel themanummer aan de 'ontdekking' van de natuur: 'Landschap, natuur en nationale identiteit'. Uit de titel blijkt al dat hedendaagse historici de brave natuurbeschermers vooral als figuranten zien in het goedburgerlijke project van de natievorming. Van Eeden senior, Hijmans en Thijsse, Henri Polak, Van Tienhoven - allemaal grondstofleveranciers voor de nationale gedachte, die incompleet zou zijn gebleven zonder het stereotype van een karakteristiek nationaal landschap.

Het deed me onwillekeurig denken aan het magnum opus van de dialectisch-filosoof, ex-communist en mossenkenner Ger Harmsen: Blauwe en rode jeugd (1961), over de vrije jeugdbeweging in Nederland tussen 1853 en 1940. Net als ik was Harmsen in zijn jongensjaren lid van de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, nog zo'n product van de vroeg-20ste-eeuwse natuuridolatrie. In Blauwe en rode jeugd is Harmsen streng in zijn classificatie van deze voor hem toch levenslange inspiratiebron. De NJN was niet rood (socialistisch), niet principieel blauw (geheelonthoudend), maar 'burgerlijk', want neutraal en open voor alle gezindten. Ik denk nog steeds: tel uit je winst. Maar blijkens 'Landschap, natuur en nationale identiteit' heeft Harmsens argwaan school gemaakt.

Vooral de bijdrage van Willemien Roenhorst: 'De natuurlijke natie - Monumentalisering en nationalisering van natuur en landschap in de vroege twintigste eeuw' leest als een requisitoir, waarin 'neutraal' en 'nationaal' als inwisselbare kwaaie pieren optreden. Het nationale karakter van het 'natuurlijk erfgoed' en de natuurbeschermingsbeweging staan bij haar in een kwade reuk, aangezien zij 'het inheemse', 'het eigene' betroffen. Ook heel kwalijk: 'In het beschermingdiscours werd ook een beroep gedaan op de liefde van Nederlanders voor hun eigen streek.'

Roenhorsts ultieme aantijging: 'Niet de natuur of de schoonheid in het algemeen moest beschermd worden, maar de bijzondere inheemse natuur, het typisch Nederlandse landschap en de karakteristieke Nederlandse schoonheid.'

De schoonheid van het Naardermeer tout court is dus een koosjer argument, deze voorstellen als 'karakteristiek Nederlandse schoonheid' daarentegen vormen een uiting van nationalisme. Datzelfde sentiment diskwalificeert de 'toeristische' Verkade-albums van Jac. P. Thijsse. In zijn voorwoord bij Onze groote rivieren (1938) bestond hij het zelfs te schrijven: 'Mogen zij u lokken tot heerlijke zwerftochten te land en te water ter vermeerdering van uw welbehagen, van uw vaderlandsliefde.'

Inderdaad: gedragen orgeltonen - zo schrijven, praten, denken en voelen we niet langer. Maar juist daarom treft het onverholen afwijzende normatieve kader dat de historicus met terugwerkende kracht aan dergelijke uitingen oplegt als anachronistisch.

Al even onbevredigend is het kennelijke onvermogen om 'nationaal' en 'nationalistisch', toch onderscheiden categorieën, uit elkaar te houden. Wie zich op een nationaal standpunt stelt, is nog geen nationalist. Maar zelfs als die voorwereldlijke natuurbeschermers onversneden nationalisten waren, kan men zich in gemoede afvragen wat voor kwaad ze daarmee eigenlijk hebben aangericht.

Was het soms beter geweest als zij er, met inbegrip van hun nostalgische rimram en selectief verzet tegen de moderniteit, maar helemaal niet waren geweest? Of: waren zij zonder 'vaderland' effectiever geweest en hadden zij op die manier meer, als het ware 'universele', natuur gered? Of is behoud überhaupt

Meer over