Ongewenste metamorfose

ER EVEN helemaal tussenuit geweest! Die kreet zal onlangs weer menigmaal zijn geslaakt, bij de terugblik op de jaarlijkse periode van massale ontspanning die de zomervakantie dicteert....

Anders dan men beweert, gaat men er nooit helemaal tussenuit. Evenmin is men, wat men de thuisblijvers ook diets maakt, elders een heel ander mens geworden. C. Buddingh' schreef het al in zijn dagboek: mensen die zeggen zich een heel ander mens te voelen, bedoelen dat ze zich juist zichzelf voelen.

Maarten Asscher heeft een personage bedacht dat er nodig eens helemaal tussenuit moet, teneinde zich een ander mens te voelen. Zo geschiedt, maar dan zeer letterlijk, en ook wat langer dan heel even - en dát was nu ook weer niet de bedoeling.

In zijn literaire werk heeft Asscher, voormalig uitgever en sinds mei vorig jaar Hoofd Kunsten van het ministerie van OCW, zich altijd beziggehouden met onvaste feiten en schuivende identiteiten. Op gezette tijden is hij toe aan vakantie van zijn plichten, en slaat aan het fabuleren. In alle bescheidenheid dan, want de boeken van Maarten Asscher zijn niet dik, als staat hij zich niet meer toe dan een vingeroefening. Een man of letters hoort zich niet op de voorgrond te dringen. Die kent zijn plaats, en dat is er een van en voor fijnproevers.

In korte verhalen, gedichten en novellen worden kleine raadsels omspeeld met de luchtige elegantie van de ambtenaar die in literatuur liefhebbert: Maarten Asscher heeft zich een vertrouwde identiteit aangemeten.

Tegelijkertijd biedt hij de lezer meer dan kortstondig vermaak. Zoals hij in Dodeneiland (1992) onder de noemer 'geschiedenissen' pendelde tussen feit en fictie over eilanden en dode schrijvers, en in de novelle Julia en het balkon (1997) 21 mensen hun visie liet geven op de sprong die ene Julia Hanson maakte vanaf de 86ste verdieping van het Empire State Building, zo heeft hij voor zijn nieuwe novelle De verstekeling het dubbelgangersmotief uit de mottenballen gehaald.

Een man ontwaakt in liggende toestand bij een toiletpot. Polsen en enkels vastgebonden, stinkend en niet in staat geluid te maken, stelt hij vast het slachtoffer te zijn van een beroving. 'Hij voelde zich nietig als een kever.' Op pagina 13 kan deze toespeling op Die Verwandlung van Franz Kafka worden begrepen als de geschiedenis van een ongewenste metamorfose.

Die wordt de lezer niet onthouden. Asscher vertelt zijn verhaal met de ingehouden ironie die van hem verwacht kan worden. Hij schrikt er zelfs niet voor terug zijn novelle van een gelukkig eind te voorzien; we mochten eens denken dat hij iets anders wil dan louter verstrooien.

Inderdaad, het dubbelgangersmotief, en de tweelingparadox van Einstein (die een figurantenrolletje krijgt als de 'oude man met wild uitstaand haar die eruitzag als een professor'), zijn geschikte grondstoffen om een thrillertje mee te maken.

David Melba is een flegmatische computerjongen die een weekje op vakantie wil naar de Eolische eilanden. Hij komt er nooit, omdat hij in het toilettencomplex op het vliegveld wordt beroofd door een illegale Marokkaan die sprekend op hem lijkt. Die gaat het tripje in zijn plaats maken; David wordt in zijn nekvel gegrepen en moet maar zien te bewijzen dat hij niet de gezochte Moustafa Chalaf is.

Net als Daphne Meijer, die dit voorjaar haar novelle De bezoeking situeerde op Schiphol (waar een Amerikaan landt, die voor cocaïnesmokkelaar wordt aangezien), ziet ook Maarten Asscher de dramatische mogelijkheden in van die plek, met de enige douanepost die in dit land nog overgebleven is. Niet op de reisbestemming ben je er totaal tussenuit en een ander, want daar ben jij jezelf gewoon weer, tegen een veranderd decor. Het werkelijke niemandsland, waar je identiteit staat of valt met het bezit van een geldig paspoort, is het vliegveld.

Daar is iedereen anoniem, vooral sinds het begrip vrijetijdskleding epidemische vormen heeft aangenomen. David Melba loopt op Schiphol: 'Een jongeman van circa 1,80 meter met donker, krullend haar, gekleed in een korte blauwe jas en een beige spijkerbroek, en met een blauw-gele reistas in de hand. Hij kon eigenlijk iedereen zijn, onderweg van overal naar nergens, of vice versa. Hier en daar verschenen plukjes van twee of drie mensen, die spoedig weer in draaideuren, via roltrappen en achter balies oplosten. Af en toe klonk door de enorme ruimte het irritante geluid van een koffer op wieltjes, die over de kleine tegels op de vloer werd voortgetrokken.'

Zo leuk is het niet, ondervindt Melba, in de ogen van de politie een totaal ander mens te zijn dan je altijd met stelligheid had gedacht.

Voor de lezer, die afwisselend het verhaal van David en Moestafa hoort, valt er vooral te genieten. Totdat Asscher met zijn verraderlijke happy end op de proppen komt. Zowel David als Moestafa komt uiteindelijk goed terecht. Ogenschijnlijk blijft Asscher zo de afstandelijke auteur die natuurlijk ook politiek en cultureel correct dient te zijn. Maar in wezen heeft hij, in de vorm van een grappig verhaaltje over Schiphol-perikelen, een parabel geschreven over de lichtzinnigheid van de liefde.

Als David zijn reis boekt, ziet hij dat het meisje van het reisbureau aan haar rechterringvinger twee gladde trouwringen draagt. 'Misschien was ze wel met twee mannen getrouwd, een als reserve, dagdroomde David.' Een tersluiks zinnetje aan het begin, maar deze specifieke verdubbeling van de dubbelgangers in De verstekeling is niet zonder reden vermeld.

Melba wil op reis omdat het met zijn vorige vriendin nog niet helemaal uit is, terwijl hij zich anderzijds nog niet toe acht aan de volgende, de verliefde stewardess Jetta. De noodzakelijkheid van het toeval wil dat Jetta mee moet op de vlucht die hij zou maken om even van iedereen weg te zijn.

Chalaf reist in zijn plaats. Jetta denkt dat het David is. Haar gevoelens bedriegen haar niet: ze houdt van hem.

De liefde is in deze geschiedenis zuivere roulette. Daarom houdt Asscher zich op de slotpagina op de vlakte, en weten we niet exact wie nou wie huwt, en welke look-alike nou bij de ander getuige is. En tóch kunnen alle personages volhouden dat het de liefde is die mensen bij elkaar brengt, en dat het niet de stompzinnige omstandigheden zijn.

Eenieder die geneigd is te brullen om horoscopisten en andere piskijkers, moet De verstekeling lezen. Met hun oncontroleerbare zekerheden zouden die zweefvliegers het best eens bij het rechte eind kunnen hebben. Waarom niet, als er niets anders bestáát dan willekeur?

Zodat zich achter de façade van de burgerlijke intellectueel toch een andere Asscher aandient: een auteur die zijn vermoeden van het chaotische niemandsland dat door de voorhang van ons dagelijks leven kiert, voorzichtig aanstipt. Die aan literatuur doet alsof hij een gebbetje maakt, met een boekie voor de treinforens die slechts een stief uurtje vernuftig amusement verlangt.

Asscher moet wel. Dezer dagen zal ook hij weer op zijn werk moeten verschijnen, als dezelfde die hij was voorafgaand aan de vakantie.

Meer over