Onder formele droge zinnen is wanhoop voelbaar

Het dikke schrift van Agota Kristof door De Onderneming. De Toneelschuur, Haarlem, 12 mei. Tournee...

MARIAN BUIJS

THEATER

Om beurten meppen de acteurs elkaar hard tegen het gezicht. Na elke klap zegt het slachtoffer: 'Doet geen pijn. Geen pijn.' Ze trekken elkaar aan het haar, laten een riem knallen op de rug van de ander of doven met hun vingers een brandende sigaret. En hoewel je soms hun gezicht ziet vertrekken, roepen ze telkens: 'Geen pijn.' Kan een mens zich harden tegen geweld en toch zijn gevoeligheid bewaren?

De tweeling uit Agota Kristofs roman Het dikke schrift (1986) doet dagelijks oefeningen om zich te harden in het verdragen van pijn, honger en ellende. Zo kweken ze een forse eeltlaag op hun ziel. Die kunnen ze gebruiken, het is immers oorlog en niemand maalt om hun lot. Hun moeder heeft ze gedumpt bij hun grootmoeder die zich niets van hen aantrekt. Ze moeten zich in hun eentje zien te redden.

Dat onvergetelijke boek doet kennelijk een appèl op theatermakers. Twee jaar geleden was er de veel geprezen Nederlandse toneelversie Tevengebroed en nu heeft ook de jonge Vlaamse groep De Onderneming de roman bewerkt voor het toneel. Met minimale middelen laten de Belgen zien hoe de twee hulpeloze jochies zich ontwikkelen tot taaie overlevers.

Ze zien er aandoenlijk uit in hun sullige witte ondergoed. Hand in hand staan ze daar, uitgelachen door hun harteloze oma. Maar ze nemen hun lot in eigen hand en leren wat de situatie verlangt. En alsof het een ander betreft, doen ze om beurten hun verhaal. Sober, zakelijk, alleen de feiten. Gevoelens zijn te vaag. En toch, onder die droge, bijna formele zinnen voel je de wanhoop.

Hoewel de spelers de taal uit het boek hebben gehandhaafd, is de voorstelling veel meer dan een vertelling geworden. De ene scène buitelt over de andere. Soms laten de acteurs elke theatrale entourage achterwege, dan weer sta je verbaasd over onverwachte visuele vondsten. Een treffende lichtstand, een wondermooie mise-en-scène of een associatief beeld.

Robby Cleiren en Günther Lesage spelen de tweeling en ze doen dat prachtig. Hun ernst is bij vlagen hartverscheurend en hun onbewogenheid hilarisch en ontroerend tegelijk. Wat te groot is voor woorden, laten ze zien. In een ijzingwekkend ritme trommelen ze hun onmacht eruit of ze prijzen krampachtig vrolijk hun goocheltrucs aan waarmee ze optreden in café's.

Zo zien we de broers uitgroeien tot ongenaakbare weldoeners. Hard, ook voor zichzelf, maar rechtvaardig. Rigoreus rekenen ze af met het dienstmeisje dat een hongerende gevangene onheus behandelt of ze chanteren de hypocriete pastoor. Die wraak voeren ze uit zonder enige emotie, bijna plichtmatig, dat is het angstaanjagende.

Op precies dezelfde manier zijn ze ook hulpvaardig. Ze zorgen voor grootmoeder die nooit een vriendelijk woord voor ze over had. Niet om lief gevonden te worden, maar omdat het moet. En tegen een vrouw die dood wil zeggen ze: 'verlangt u er werkelijk naar te sterven, dan zullen wij uw keel doorsnijden.' Toch voelen we zonder enig voorbehoud met hen mee. We herkennen onszelf, zijn wij ongemerkt ook niet een tikkeltje gevoellozer geworden?

Marian Buijs

Meer over