Profiel

Olifant Hansken werd getekend door Rembrandt en stierf geketend op een Florentijnse markt

Hansken (1637), door Rembrandt van Rijn met zwartkrijt en houtskool. Beeld
Hansken (1637), door Rembrandt van Rijn met zwartkrijt en houtskool.

In het Rembrandthuis in Amsterdam is de schedel te zien van Hansken, een olifant uit de 17de eeuw. Haar leven was als dat van vele beroemdheden: doorspekt met tragiek.

Een cycloop! In de tentoonstellingszaal van het Rembrandthuis in Amsterdam waan je je even in de nabijheid van een eenogige reus – van de schedel ervan dan, hè. De kop heeft geen oogkassen, maar een gapend gat in het midden van het voorhoofd. Precies deze karakteristieken gaven reizigers in de oudheid het idee dat ze te maken hadden met de overblijfselen van een eenogige menseneter in plaats van met de kop van een kleine olifant.

Het grote gat is de plek waar de slurf zat. De ontbrekende kassen zijn logisch als je bedenkt hoe klein een olifantenoog eigenlijk is. De schedel in kwestie behoorde trouwens niet toe aan de eerste de beste olifant; hij stond ooit op de romp van de Sri-Lankaanse olifant Hansken.

Pak de zakdoeken er maar bij, want haar levensgeschiedenis is een tranentrekker.

In de 17de eeuw was Hansken een beroemdheid. In heel Europa was ze bekend om haar grappige kunstjes. Toegegeven, ze zal ook opzien hebben gebaard vanwege het feit dat ze een olifant was; de meeste mensen zagen in die tijd hooguit één keer in hun leven zo’n beest. Op veel plekken werden haar optredens gememoreerd met muurschilderingen en tegeltjes, zoals er een te vinden is in het pand van studentenvereniging Vindicat in Groningen. Hansken figureert ook in het werk van allerlei schilders en tekenaars, van wie sommigen haar met eigen ogen hadden aanschouwd.

In het Rembrandthuis is vanaf 9 juni een tentoonstelling te zien over Hansken, samengesteld door conservator Leonore van Sloten en gebaseerd op onderzoek van Michiel Roscam Abbing. Daarin volg je in de vorm van een reisverslag het dier van de wieg tot het graf, en nog een heel eind verder.

Het is een smakelijke expositie met bijzondere bruiklenen, zoals beeltenissen van Hansken door Rembrandt en Stefano della Bella, alsook Hanskens schedel uit het natuurhistorisch museum van Florence. Er is één noemenswaardige omissie: de uitgewerkte tekening die Rembrandt maakte van Hansken uit het British Museum. Daarvoor bestaan vast goede redenen, maar jammer is het wel.

De schedel van Hansken. Beeld Natascha Libbert
De schedel van Hansken.Beeld Natascha Libbert

Hansken wordt in 1630 geboren op het eiland Ceylon, het huidige Sri Lanka. Ze behoorde tot een ondersoort van de Aziatische olifant die men herkent aan de donkere huid en waarvan ook de bullen geen slagtanden hebben. De koning van Kandy schonk het Sri Lankaanse olifantje aan de gouverneur van de VOC op Batavia, een aardigheidje omdat de Hollanders hem hielpen de Portugezen van het eiland te verdrijven. Die stuurde haar weer door naar stadhouder Frederik Hendrik, tevens prins van Oranje en graaf van Nassau. Hij bezat een menagerie met exotische dieren.

De reis naar de Republiek was lang; een maand of vijf zat Hansken op zee. Haar reisgenoten waren een luipaard, hert en kasuaris, een grote loopvogel. Life of Pi-achtige taferelen volgden: het luipaard zette zijn klauwen in de kasuaris en Hansken ging op het hert zitten. Tegen de tijd dat de levende have Frederik Hendriks paleis Huis ter Nieuburch in Rijswijk had bereikt, was het kwartet teruggebracht tot een duo.

Frederik toonde Hansken een tijdje aan betalende bezoekers, maar toen het animo begon terug te lopen, deed hij haar van de hand. Via via kwam de olifant in het bezit van Cornelis van Groenevelt, een voormalig ritmeester van het Staatse leger. 20 duizend gulden zou hij voor Hansken hebben neergeteld, voorwaar geen onbenullig bedrag. Sterker nog, van dat geld kon je indertijd een huis als dat van Rembrandt in de Jodenbreestraat kopen.

Om zijn investering terug te verdienen, dresseerde Van Groenevelt de olifant en begon ermee op te treden. Eerst reisden ze door het Oostzeegebied. Later toerden ze ook door Nederland, Duitsland, Zwitserland en de Méditerranée. Soms verplaatsten ze zich per boot, vaker reisden ze te voet. Hansken deed dienst als lastdier. Ze droeg proviand, kleding, huisraad en allerlei hulpstukken voor tijdens de show. Zo trokken ze langs jaarmarkten en kermissen.

Nu kon elke aftandse leeuw daar wel een kunstje, maar Hansken kon er meer dan één: Van Groenevelt had haar nog net geen avondvullend programma aangeleerd. Ze kon zwaardvechten, een hoed op- en afzetten, met een pistool schieten, een muntstuk tevoorschijn toveren, rondgaan met een emmer waarin de bezoekers hun handen konden wassen en een doek om ze mee af te drogen, en, omdat er tenslotte ook gelachen diende te worden, de verstokte hoerenloper in het publiek aanwijzen (niet toevallig vaak de dominee).

Een reclameprent voor de show van Hansken, die te koop was als souvenir.  Beeld
Een reclameprent voor de show van Hansken, die te koop was als souvenir.

Deze trucs waren mogelijk dankzij haar slurf. Zoals bij alle olifanten bevond zich aan het uiteinde daarvan een soort vinger waarmee ze objecten kon vastpakken en loslaten. Ze kon ook slurfloze trucs, zoals buigen, poot geven en vrijwilligers op haar kop en nek laten zitten.

Afhankelijk van de stad werd dit repertoire uitgebreid met gelegenheidsacts, aansluitend bij de aard en wensen van het publiek. Zo dronk Hansken in Hamburg in één teug een vat bier leeg, droeg ze in Wenen een zanger op haar slurf die de Habsburgse keizer Ferdinand III toezong en werd in Amsterdam een dief door Hansken ontmaskerd. Op de reclameprent die Van Groenevelt liet maken en die te koop was als souvenir, stonden alle kunstjes afgebeeld.

Rembrandt van Rijn, die Hansken in 1637 zag optreden op de Botermarkt in Amsterdam, het huidige Rembrandtplein, maakte zijn eigen souvenir. Van zijn hand bestaan verschillende tekeningen in zwartkrijt en houtskool van de olifant. Naast het uitgewerkte exemplaar in Londen is vooral de schets uit het prentenkabinet Albertina in Wenen de moeite waard. De trucjes met de hoed en de degen die Van Groenevelt met Hansken had ingestudeerd, zie je hier niet terug: het was het beest zelf dat Rembrandt interesseerde.

Hansken oogt door Rembrandts ogen vrolijk, het dier ziet eruit alsof het zich ergens op verheugt. Rembrandt zou Rembrandt niet zijn als hij ons niet zou wijzen op de eigenaardigheden van haar uiterlijk: haar huid die slobbert als een te ruim bemeten pak, het oor, vliezig als een vleermuisvlerk, de stekelige oudemannenhaartjes en de kronkelende stofzuigerslang van een slurf. Rembrandt legde het allemaal razend vaardig vast. Zijn tekening is schetsmatig, ruw zelfs, toch vangt ze het wezen van het dier volledig.

Rembrandt zou Hansken nog vaker afbeelden. In zijn ets Adam en Eva (1638) figureert zij op de achtergrond, nu tonnetje rond. In de Physiologus, een reeks Griekse moraliserende dierenverhalen, zou de olifant kuisheid belichamen, vandaar haar aanwezigheid in het paradijs.

Adam en Eva (1638) van Rembrandt met op de achtergrond Hansken. Beeld
Adam en Eva (1638) van Rembrandt met op de achtergrond Hansken.

Hansken zou ook symbool staan voor de deugdzaamheid, maar op andere momenten verbeeldt ze gevaar. Op Ferdinand Bols schildering in het burgemeestersvertrek van het Paleis op de Dam, bijvoorbeeld, stond ze model voor de geschilderde olifant waarmee de Griekse koning Pyrrhus zijn rivaal, de Romeinse consul Fabricius probeert af te schrikken. Bol rustte de slagtandloze Hansken voor de gelegenheid uit met een enorme ivoren prikvork.

De Hansken op het decoratieve programma in de Oranjezaal van Huis ten Bosch oogt niet minder woest. De regisseur van dat tableau, de architect Jacob van Campen, zag de olifant op een jaarmarkt in Den Haag, en als je de beeltenis moet geloven, had madame toen een rothumeur.

Hansken had er alle reden toe. Haar leven was misschien geen lijdensweg, maar een beproeving was het zeker. Dag in, dag uit die klotekunstjes. Steeds weer een andere dronken tor in je nek.

Ook haar voeding was afzien. Sri Lankaanse olifanten eten gevarieerd plantaardig voedsel, maar Van Groenevelt, die geen benul had van het voedingspatroon van zijn melkkoe, gaf Hansken alleen maar brood. Veel brood. Meer brood dan welk levend wezen kon verteren. Het was Hansken aan te zien: op veel beeltenissen heeft ze een uitpuilende hooibuik.

Haar behandeling was exemplarisch voor hoe er in de 17de eeuw met dieren werd omgesprongen, variërend van achteloos tot ronduit wreed. Vooral tijdens kermissen en op feestdagen waren dieren vaak de klos. Was je een kat, dan werd je geknuppeld. Was je een hond of wild zwijn, dan werd je opgejut om te vechten. Hansken hoefde niet te vechten en over mishandeling is niets bekend – hoewel Frederik Hendriks gewoonte om haar als verzetje een anker (40 liter) brandewijn te laten opslurpen daar nu zeker onder zou vallen. Verwaarloosd werd ze zeker. Al op jonge leeftijd leed ze aan chronische ontstekingen. Voor ze de middelbare leeftijd had bereikt, viel de olifant uit elkaar.

Op een novembermiddag in 1655 ging het mis in de Loggia dei Tedeschi op het Piazza della Signoria in Florence. Onder de ribgewelven waar ooit de Zwitserse lansknechten kwartier hielden en waar tegenwoordig de beelden van Cellini en Boulogne staan, was een schutting gebouwd. Daarachter stond Hansken. Voor een kleine vergoeding mocht je haar bekijken. Die middag zou ze optreden, maar ze stribbelde tegen en kreeg medicijnen. Nadat ze een vol uur had gekermd van de pijn, viel de olifant opeens neer – waarschijnlijk met een nagalmende dreun. Dood.

Stefano della Bella's tekening na de dood van Hansken in november 1655. Beeld
Stefano della Bella's tekening na de dood van Hansken in november 1655.

Stefano della Bella, de Italiaanse tekenaar die Hansken eerder portretteerde in Parijs, was erbij toen het gebeurde en maakte stante pede enkele rake tekeningen. Op een van die tekeningen is Hanskens achterpoot gestut met een plank, zoals je een auto met een lekke band omhoog krikt. Op een andere buigt een omstander zich boven Hanskens lijk naar zijn buurman alsof hij wil zeggen: ‘En nu?!’ Op alle tekeningen heeft ze haar bek openhangen, alsof ze ligt te snurken. Zonder sentimenteel te worden: eigenlijk ziet ze er op de tekeningen heel tevreden uit. Ze overleed aan een onbehandelde infectie aan haar poot, bleek later. Ze was 26 jaar.

Aftiteling? Nog even wachten, want het sollen met Hansken was nog niet voorbij.

De Toscaanse groothertog Ferdinando II de’ Medici kocht voor een stevige prijs Hanskens lijk van Van Groenevelt. De ritmeester kreeg daarbij de verantwoordelijkheid het dode dier van het plein te verwijderen, waarbij vier ossen nodig zouden zijn geweest. Hanskens geraamte werd uitgebeend en begraven. Toen het drie jaar later weer werd opgetakeld, werden de laatste restjes verwijderd door het stevig schoon te schrobben in de Arno.

Vervolgens werd het gebeente verplaatst naar het Uffizi, toen nog een groothertogelijk paleis, alwaar het in een ijzerwerken montuur werd geplaatst. Hierna zou het hele gevaarte in 1771 worden verplaatst naar het Torrigiani-paleis, thans het natuurhistorisch museum La Specola en onderdeel van de Universiteit van Florence.

Hanskens schedel hangt nu tijdelijk in het Rembrandthuis. Aan het geraamte in Florence hangt ondertussen een identieke, kunststoffen kop, uit China.

Hansken – Rembrandts olifant, Museum het Rembrandthuis, vanaf 9/6.

De Londense Hansken

Misschien wel de mooiste tekening van Hansken vindt men in het British Museum in Londen – het is sowieso de meest uitgewerkte tekening van haar. Het toont de olifant van opzij, aan het papier onttrokken in fijn zwartkrijt, een toonbeeld van verfomfaaide schoonheid. Het bijzondere aan de tekening is dat zij zowel natuurgetrouw als antropomorfisch aandoet; de olifant is een object van studie, maar tegelijkertijd een personage. Ze treft je als een even slome als zachtmoedige figuur.

Hanskens collega’s

Hansken was niet de enige rondreizende olifant in de 17de en 18de eeuw. Bij elke generatiewisseling leek er een nieuwe olifant rond te trekken. Voor Hansken was het de mannetjes olifant die Filips IV ooit schonk aan James I, en na haar de Indische vrouwtjesolifant van de Amsterdamse herbergier Bartel Verhagen. Na die olifant was het een neushoorn genaamd Clara die furore maakte. Over haar bereidt het Rijksmuseum op dit moment een expositie voor.