Oervormen architectuur aan Oosterschelde bespot

Waterpaviljoen Delta Expo, Neeltje Jans. Door Nox architekten en Kas Oosterhuis. Opgeleverd: gisteren...

Een glimmende, blikken worm die zich uit het duinzand worstelt met aan het uiteinde een reusachtige, omgekeerde zwarte roeiboot die op het land is getrokken en nu boven het water bungelt. Zo zou het nieuwe waterpaviljoen op het voormalige werkeiland Neeltje Jans in de Oosterschelde te omschrijven zijn. Was het maar zo eenvoudig. In werkelijkheid is hier sprake van een creatieve explosie die reikt tot de ongrijpbare uiteinden van de architectuur. Het resultaat is zowel verbijsterend als vervoerend.

Zoals de hele omgeving een aanslag doet op het bevattingsvermogen van een mens. De drie melodieuze rijen ongenaakbare staven van de stormvloedkering, de verloren laatste van de 66 pijlers die nu in een meertje staat en wordt gebruikt door bergbeklimmers, het norse en fabelachtige mooie dienstgebouw van architect W.G. Quist en dan nog eens een laf, nietszeggend expositiegebouwtje aan de rand van een parkeerplaats. In de zilte Zeeuwse lucht gaat er een merkwaardige opwinding uit van dit door mensenhanden gemaakte landschap aan de rand van de zee, waar de natuur weer zijn gang gaat en duinen opwerpt tegen de technische hoogstandjes van de mens.

Architect-stedenbouwer Ashok Bhalotra verzon drie jaar geleden iets poëtisch. Op de 'lijn van wind en water' zou een paviljoen komen dat alle aspecten van het water, van gletsjer tot regendruppel zou belichten en verklaren. Maar wat lastig nu. Toen een aantal architecten desgevraagd wat ontwerpen indiende, kon de opdrachtgever, Delta Expo BV, niet besluiten welke inzending de beste was. Geen nood, schijnt Bhalotra te hebben geroepen, dan kiezen we toch de beste twee en laten de één het zoetwatergedeelte ontwerpen en de ander het paviljoen voor het zoute water.

Zo begonnen eind 1993 Lars Spuybroek met zijn toenmalige compagnon Maurice Nio van NOX-architecten zich te verdiepen in het zoete water en het bureau van Kas Oosterhuis stortte zich op het zoute water. Twee afzonderlijke ontwerpen moesten daarvan het resultaat worden, met als voorwaarde dat ze naadloos in elkaar zouden vervloeien.

Tot zover valt het allemaal nog te begrijpen. Wie nu door de alleraardigste Waterspeelplaats (een ontwerp van architect Siem Schaafsma) naar het binnenmeer loopt en eerst de glimmende, bultige worm ziet, wil best geloven dat Lars Spuybroek (1959) dit een vertaling vindt van de vriendelijke eigenschappen van het zoete water. Die wil ook er best mee akkoord gaan dat het wat hoekiger, zwarte deel van Kas Oosterhuis (1951) de verbeelding is van het rauwe en angstaanjagende van de zoute zee.

Alhoewel. Het ultieme gebouw is toch het J. W. Topshuis van Quist. Als een stoere, hooghartige wachter staat het daar, bereid tot in lengte van dagen het geweld van de zee te keren. Dat hoekige, fijnzinnig gedetailleerde massief is als het ware de oervorm van het bouwen geworden. Daarmee vergeleken verschrompelt het waterpaviljoen van Spuybroek en Oosterhuis tot een jolige en dartele oprisping.

Heel bewust, wellicht. Want noch Spuybroek, noch Oosterhuis heeft een boodschap aan die oervormen van de architectuur. Zij zoeken naar nieuwe wegen. In de grote lijnen van de twintigste-eeuwse architectuurgeschiedenis zou men hun bouwsels kunnen plaatsen in het streven naar een beweeglijke architectuur. Vooral het laatste decennium proberen steeds meer architecten zich te ontworstelen aan strakke, statische vormen en streven naar vloeiende, afwisselende vormen, zowel in het uiterlijk als in het interieur.

Maar Spuybroek en Oosterhuis gaan een stapje verder. Ze zijn gebiologeerd door de digitale en virtuele wereld en proberen de onbegrensde fantasieën van de cyberspace in architectuur te vertalen. Oosterhuis zelf ontwerpt al rechtstreeks op de computer. Hij laat het digitale beest zelf de vervormingen berekenen. Spuybroek is vooral gevoelsmatig gefascineerd door de nieuwe ervaringen en probeert ze in zijn ontwerpen op te roepen.

Daardoor stapt een bezoeker in zijn paviljoen meteen in een ongekende, ontwortelde wereld. Muren bestaan niet meer. De golvende vloer gaat naadloos over in ronde vormen in het plafond, dat weer zijn eigen ritme speelt van dalen, stijgen, hellen en bollen. De bezoeker is letterlijk weg van deze wereld, want ramen kent dit paviljoen niet, en iedere oriëntatie op de buitenwereld is onmogelijk. Je zult met jezelf deze werkelijkheid de baas moeten worden, twijfelend tussen claustrofobie en geestelijke verruiming.

Oosterhuis geeft wat meer houvast, zeker door het brede raam dat uitziet op het water, en door het opsplitsen van zijn ruimte in een beneden- en een bovenverdieping. Dat is al interessant genoeg. Zeker als je beseft dat de blikken glimworm van Spuybroek met zijn vloeibare vormen op uiterst ambachtelijke wijze is geconstrueerd, met beton, stalen profielen en houten spanten. Het is evenwel de helft van het verhaal. Want dit is niet alleen een paviljoen waar gespot wordt met de oervormen en de oerindelingen van de architectuur.

Het blijft per slot een expositieruimte. Maar de architecten hebben de expositie naar zich toe getrokken en onderdeel gemaakt van de architectonische beleving.

Hier is een ruim beroep gedaan op de technologie. Geluid. Licht. Projecties. Laserstralen. Namaak water. Echt water. IJs. Echte nevels. Schijnnevels. Waterkringen. Elektronische rimpelingen. Alles komt tot leven en reageert ongemerkt op het bezoek. Bij veel mensen anders dan bij weinig mensen. Weer anders bij slenterende bezoekers dan bij gehaaste wereldreizigers. Bovendien kunnen de bezoekers zelf het proces onderbreken, verstoren, bevriezen of veranderen als ze de vele sensoren beroeren.

De toch al meeslepende ruimtes worden door intelligente systemen (als ze werken, tenminste) omgetoverd tot een adembenemende, steeds veranderende, ongekende wereld waarin de ruimte zelf ophoudt te bestaan en overgaat in cyberspace. Nog altijd ruimte, dat is waar, maar onaantastbaarder, ongrijpbaarder en onverwoordbaarder dan architectuur ooit is geweest.

Ids Haagsma Hilde de Haan

Meer over