Oecumene van Peter Sellars is groot theater

Een vreemde oecumene is het, de dienst die Peter Sellars voor de Nederlandse Opera bijeenklutst in zijn Stravinsky-dubbelstuk Oedipus Rex en Psalmensymfonie....

In de glazen tipi op het toneel zal naast Oedipus en zijn moeder en bruid Jocaste waarschijnlijk de grote Manitou huizen. Na te gaan valt dit niet: de boventiteling bleek onderworpen aan een eigen dramaturgie. Waar het in rood-wit-bruin gestoken mannenkoor in forte uitbarstte, wilde de tekstprojectie soms doven, zoals de snelheidsbegrenzer zijn werk doet bij een tientonner.

Toch is het groot theater, deze on-authentieke, door Sellars in ritualistische soli en massaprotocollen gehulde double bill, waarvan de enscenering drie jaar geleden in première ging in de Salzburger Festspiele. En Sellars is er een eind in op weg geholpen door Stravinsky himself.

Er was weliswaar geen haar op diens hoofd die er in 1930 aan dacht de Psalmensymfonie te presenteren als een vorm van tragedie. Laat staan als stervensakte voor Oedipus Koning, wiens wrede lot juist hierin bestaat dat hem de dood niet wordt gegund. De Onwetende, die ziende blind zijn vader doodde en zijn moeder huwde, en toen dat uitkwam zich blind stak en 'ziende' werd, moest bij Sofokles op een nieuw toneelstuk wachten, voor hij de laatste adem mocht uitblazen. Stravinsky en Jean Cocteau hebben zich daar in hun bondige versie niet meer om bekreund.

Wel was de componist zo attent om, drie jaar na de voltooiing van zijn opera-oratorium, opnieuw de distantie van het latijn te kiezen toen hij zijn Symphonie des Pseaumes componeerde 'A la gloire de Dieu'. De componist was bovendien zo vriendelijk enkele muzikale bouwstenen aan Oedipus Rex te ontlenen.

De Psalmensymfonie ademt niet de geest van moord en incest, maar die van religieuze overgave. Rechtlijnigen kunnen volhouden dat Sellars er een potje van maakt, met zijn vervanging van Cocteau's (sprekende) Verteller door een Sofokles citerende en Amerikaans kwekkende Antigone. En dat hij met zijn verlenging van Oedipus Rex de superieure symmetrie doorbreekt van dit opera-oratorium, waarvan het granieten slotkoor de variant is van het granieten openingskoor. Dat hij, tenslotte, bij de Psalmensymfonie in mime en dans de wierook laat branden die in Oedipus Rex geen kans krijgt.

Maar aan de andere kant: voor zijn doen heeft Sellars zich onwaarschijnlijk dienstbaar gemaakt, en zelden zal de Psalmensymfonie een sprekender context hebben gehad. Het gaat er anders aan toe dan in Stravinsky's opera The Rake's progress, waarvan Sellars voor zijn Parijse enscenering het libretto compleet heeft herschreven zonder er een letter in te veranderen (Amsterdam en Salzburg krijgen deze verbluffende aflevering van Sellars' California Saga nog te zien). In Oedipus Rex dwingt Sellars zich tot strengheid.

'Pest?' Het koor grijpt naar de buik. 'Koning?' De vingers van de zanger gaan langs de scalp. Het mag er belachelijk uitzien, maar het tempo, en de obsessieve gelijktijdigheid van gebaar en klank waarmee volk en vorst de communicatie zoeken, zich een uitweg trachten te banen uit hun keurslijven van latijn en rigide zang - het went. Het reflecteert de muziek, die stenig is aan de oppervlakte, maar waarin meer mens verscholen zit dan in de verzamelde oeuvres van Puccini en Strauss.

Scherp gezien is de doorbrekende 'menselijkheid' van de centrale episode, waarin Jocaste, Händel echoënd en Verdi citerend, zich verzet tegen de macht van het orakel, en het Oedipus langzamerhand begint te dagen, onder gekakel van de hoge houtblazers.

Hier een meesterstuk van ensemblekunst, met radeloze tendresse in zang en gebaar van een kwikzilverige tenor (Chris Merritt als Oedipus) en een verrassend sonore mezzosopraan (Lorraine Hunt als Jocaste), onder auspiciën van een alerte Hans Vonk - met het Radio Filharmonisch.

De Psalmensymfonie - hier een symfonie met solodans van 'Oedipus' andere dochter' Ismene (Sen Hea Ha) en met de psalmzangers als corps de ballet en zoekend volk van Thebe - eindigt in opperste resignatie, met het befaamde alleluja als refrein van een zachte processie, die klinkt naar wiegelied. Merritt heeft zich hier inmiddels van het podium verwijderd, een sterven als fade away. Maar alles is hier Oedipus, en het is (groot theater) opnieuw Stravinsky die een handje helpt. In het fraaie ostinato van het slotdeel, een voortstappen van pauken, harp, en piano's op drie tonen, legt hij, op z'n Stravinsky's, de eerste tel beurtelings op de es, de bes en de f.

Het wordt hier een naam, een soort motto: het koor gehoorzaamde in Oedipus Rex, ook op z'n Stravinsky's, aan een grote beklemtoning van zowel Oe en di, als de lettergreep pus. Als Sellars het niet geweten heeft, dan heeft hij het bevroed. Want muzikaal is hij, en zijn double bill toont het aan alle kanten.

Roland de Beer

Meer over