'O! Nininho is zo klein!'

Aleid Truijens

‘Hij liep alsof zijn voeten de grond niet raakten’, vertelt Ofélia Queiroz, zijn enige geliefde, aan het eind van haar leven. Wat er in het bijna uitdrukkingsloze hoofd schuilging weten we inmiddels: een kolossaal oeuvre van meer dan twintig schrijvers en dichters, allemaal verschillend van karakter en schrijfstijl, allemaal ‘heteroniemen’ van Pessoa, de handelscorrespondent die op 47-jarige leeftijd stierf nadat hij zich dood had gedronken.

Want uiteindelijk hielp het niet, het eindeloos opsplitsen in fictieve anderen. Hij dichtte: ‘Ik heb meer dan één ziel/ meer ikken dan ikzelf’, maar al die ikken leden aan dezelfde kwaal: zij konden hun radeloze denken niet stopzetten. Voor hen gold: ‘ik die voel met mijn verstand’, en dat verstand bleek niet bij machte de angst voor de dood en het verlangen naar het paradijs van vóór de geboorte te bezweren. De huls die hij was, doorgangshuis voor vele zielen, was tot normaal leven niet in staat. En bestaan, echt en levend in het heden, is een voorwaarde voor de liefde.

Maar Ofélia Queiroz, in 1920 een schattig meisje van negentien, hield van Pessoa. Ze hield van zijn bizarre grapjes, zijn theatrale aanstellerij, zijn doorzichtige leugens, zijn grote neusgaten en vooral van de stoute kleuter die hij speelde te zijn – dát was het heteroniem waarin hij zich aan haar openbaarde, schrijft August Willemsen in zijn nawoord. Van die liefde getuigen de vele zwijmelende, meestal onbeantwoorde brieven die zij haar ‘Nininho’ – ook wel haar ‘negertje zwart als roet’, ‘grote Ibis’, ‘kleine Pompon’ – schreef na hun eerste ontmoeting. In 1920 hield zij nog vast aan de illusie dat zij ‘mevrouw Pessoa’ zou worden, al doet het ‘toekomstige mannetje’ weinig om die droom te voeden. Nog groter is Ofélia's liefde in de wanhopige, tegen beter weten in geschreven brieven uit de jaren 1929-1932, toen ze elkaar weer sporadisch zagen. Zij was al rond de dertig, een oude vrijster bijna, gedoemd tot haar dood sokken te stoppen in het bedompte ouderlijke huis.

De brieven van Pessoa waren al in 1995 in het Nederlands vertaald, door Harrie Lemmens. Die vertaling is nu aangevuld met de brieven van Ofélia, vertaald door August Willemsen. De briefwisseling vormt het tweede deel van de drie delen brieven die deel uitmaken van het verzameld werk van Pessoa in het Nederlands, een mega-project waaraan Willemsen al enkele jaren werkt.

Uit het vorig jaar verschenen brievenboek bleek al dat Pessoa een bezeten briefschrijver was die ageerde tegen wat hem niet beviel, en zijn gecompliceerde ‘ik’ graag uitlegde aan vrienden. Maar deze brieven zijn fascinerender. Van zíjn kant zijn het uitingen van onhandige hartstocht van een man die geen verstand had van gevoel. Hij wist zich geen raad met de oprechte liefdesuitbarstingen van het wachtende meisje, maar hij kon ook geen afstand doen van de regen van tederheden die zijn eenzaamheid verzachtten.

Pessoa probeert al in 1920 op slinkse manieren van Ofélia af te komen. Door zijn welbespraakte, homoseksuele heteroniem Álvaro de Campos als stokebrand op haar af te sturen, door haar familie er ten onrechte van te betichten dat ze hem niet moeten, door haar het bespottelijke verwijt te maken dat zij niet van hem houdt. Ofélia negeert al die piasserij. Zij weet hoe ze hem kan verleiden, figuurlijk althans: door met Nininho baby’tje te spelen, een maskerade die, schrijft Willemsen, beantwoordde aan Pessoa’s verlangen naar het kind zijn, de verlossing van het denken.

Duizenden ‘usjes’ vliegen er over de post, ‘heleboel heleboel heleboel heleboel usjes’ van ‘poppetje’ Ofélia, en Fernando antwoordt: ‘Ikke serijf alleen maar om je te zegge dattik je kaatje heel leuk vond. O! Enne ikke vond het ook jammer dattik niet bij Baby’tje was om Baby’tje usjes te geven. O! Nininho is zo klein!’ Dat is weer eens een andere hoedanigheid waarin we de grote dichter leren kennen. ‘Liefdesbrieven kunnen, als er liefde is,/ Niet anders zijn dan belachelijk’, dichtte Alberto Caeiro.

Op het eerste gezicht is dit – treffend vertaalde – infantiele gestamel ook gênant. Maar in de tweede serie brieven is het spel alleen nog maar schrijnend. Ofélia trekt dan haar Baby-act uit de kast als ze echt niet meer weet hoe ze haar saboterende geliefde kan raken.

Ze had beter moeten weten. In een van de weinige verstandige brieven uit de eerste reeks legt Pessoa glashelder uit waarom het nooit wat kan worden tussen hen. ‘Mijn toekomst gehoorzaamt een andere Wet, van welker bestaan jij geen weet hebt, en is steeds meer onderworpen aan de gehoorzaamheid aan Meesters die niets veroorloven en niets vergeven.’

De boodschap kwam niet aan. Zij kon toch op kousenvoeten rondsluipen en lekkere hapjes maken als haar lieveling aan het scheppen was? Pessoa kon haar niet duidelijk maken dat hij, net zo min als zijn heteroniemen, niet bestond. Maar zij, Ofélia, secretaresse bij Félix, Valadas & Freitas, bestaat nog steeds.

Fernando Pessoa & Ofélia Queiroz: Liefdesbrieven 1920/1929-1932. Vertaald uit het Portugees door August Willemsen en Harrie Lemmens; nawoord August Willemsen. De Arbeiderspers; 440 pagina's; ¿ 19,95. ISBN 90 295 3698 5.

Meer over