Nutteloos voor de spiegel van de tijd

Ze zijn tapijthal, meubelshowroom, disco of bierkelder geworden. Vaker nog staan ze, dichtgepijkerd, leeg. De oude cultuurtempels van de DDR zijn door de geschiedenis aan de kant gezet....

DE KULTURHÄUSER van de DDR waren de paleizen van het volk en de tempels van de arbeid, symbool van het 'reëel existerende socialisme'. Hier werd door zangkoren van arbeiders, boeren, mijnwerkers en spoorwegmannen de lof op de vijfjarenplannen gezongen, de partij geëerd, de arbeid geadeld en de nieuwe mens begroet. Die Kunst gehört dem Volke, spreekt Lenin van een affiche uit de jaren '50, en het volk spoedt zich monter naar het Kulturhaus dat baadt in een magistraal zonlicht. De tempels van het proletariaat beheersten het stads- en dorpsbeeld van de DDR, ze hadden de oude kerken en kathedralen van hun burgerlijke voorzaten naar de achtergrond verdrongen. Nu zijn ze de zerken van het socialisme geworden.

Een paar van die Kulturhäuser zijn al afgebroken of door de dorpsjeugd uit baldadigheid in de fik gestoken. Een reeks is meubelshowroom of tapijthal geworden, bierkelder of disco. De rest is dichtgespijkerd. Tussen de treden van de bordessen groeit onkruid. Ramen zijn ingegooid of dichtgemetseld, gevels afgebladderd. Rode vlaggen en vaandels zijn vervangen door graffiti. Elektrokohle staat nog in grote neonletters op het dak van het Kulturhaus van de elektriciteitsfabriek in een Berlijnse stadswijk, maar op de gevel zelf prijkt een spandoek met de koopleus Teppichstrasse.

Op een houtgesneden reliëf, dat in een van die Kulturhäuser hangt, heeft de partijleider broederlijk de armen geslagen over de schouders van een arbeider en een boerin. Gedriëen dragen ze het eerste vijfjarenplan van de DDR. Het tafereel is verlucht met rokende fabrieksschoorstenen en een overvloed aan vruchten des velds - en die uit de fabriek. Tussen de gedorste korenaren liggen een autoband, broodjes metaal en een blik teer, trotse vruchten van de techniek.

De fabrieken roken niet meer en met LPG's, de Landwirtschaftliche Produktionsgenossenschaften waarin brigadegewijs werd gezaaid, geoogst en gemolken, zal het ook nooit meer worden zoals het eens bedacht was. Met de Muur, die in de DDR Anti-Faschistische Schutzwall heette, is de oude arbeiders- en boerenstaat verdwenen. Vele fabrieken, scheepswerven, mijnen en hoogovens vonden in hun hopeloze technische achterstand en hun grenzeloze vervuiling geen westerse eigenaar en zijn gesloten. De arbeidersbrigade van weleer is op straat gezet.

En van die trotse, al of niet gedwongen vrijwillig gebouwde cultuurkathedralen - freimüssig heette dat in het jargon van die tijd, samentrekking van freiwillig en müssen - rest niet veel meer dan vervallen gevels en nostalgische interieurs. Als ze niet tot een stad of Kreis behoorden, maar tot een chemische fabriek, erts- of bruinkoolmijn, werden ze voor een symbolisch bedragje aan de gemeenschap overgedragen, die ook niet weet wat ze ermee moet doen.

De cultuurbouwgolf van de DDR is nu vastgelegd in een boek, Die Salons der Sozialisten, door een van oorsprong Oostduitse fotograaf. Het zal aan hem liggen dat die Kulkturhäuser in zijn foto's, al zijn ze door de geschiedenis aan kant gezet, zo hun best doen hun oude waardigheid te behouden. Ze zijn met liefde en achting geportretteerd, hoewel ze voor de spiegel van de tijd hun nutteloosheid niet kunnen verbloemen.

Hun hoogtijdagen lagen in de jaren vijftig. Ze waren het antwoord van de DDR op de Koude Oorlog, een Kampfauftrag vanachter de Muur op Hollywood en Bayreuth. Ze droegen de cultuurpolitiek van het anti-fascisme uit, een van onderop opgebouwde, proletarische cultuur die die oude, burgerlijke moest wegvagen. Er was geen plaats voor vrije geesten. De cultuurhuizen werden naar partijvoorschrift geleid, met een repertoire vol mandolineorkesten en marionettenspel.

Ze boden ruimte aan schaak-, dam- en postzegelclubs, volkstoneel en

-zang, film- en fotoclubs en gaven de schrijvende arbeider gelegenheid bij volkseigene Schriftsteller in de leer te gaan. Een paar generaties Genossen moeten er ook de hoogtijdagen van hun leven hebben gevierd. Wat konden ze anders? Particuliere initiatieven en verenigingen waren verboden. Andere zalen waren er niet. Ze vierden er hun bruiloften en partijen, Kerstmis, alleen was daarbij een engel geen engel meer maar, in het jargon van de partij, een Geflügelte Jahresendfigur. Ze zagen er films en volkstoneel, leerden er dansen, werden er verliefd.

Hun feestpaleizen hebben geen toekomst meer. Ze hadden dat toen, in de DDR, ook al niet meer. Na die bloeitijd in de jaren vijftig liep het clubbezoek terug. De televisie hield de mensen thuis, daar kon ook de partij niets aan veranderen. Op een gegeven moment namen ook de kerken hun vroegere rol in de gemeenschap weer op. Er was weer, even, een opleving in de jaren tachtig, toen ze hun deuren voor rockconcerten en bingo opengooiden. Maar het doek was al definitief gevallen, de tijdgeest was omgeslagen.

'Hij zal vrij van vooroordelen, socialistisch en democratisch op vrije Duitse bodem wonen', zo typeerde een partijmanifest de nieuwe mens uit die proletarische jaren, maar die mens keerde het reëel existerende socialisme van de DDR de rug toe en vluchtte naar het westen. De Muur viel, de twee Duitslanden herenigden zich, er was een euforie die de hele wereld tot tranen bewoog.

De realiteit van nu is een andere. Er loopt nog steeds een scheiding door Duitsland, het slechten van de Muur heeft vijftig jaar deling niet kunnen uitwissen. Een halve eeuw lang leefden ze, aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, in een verschillende cultuur. Meer dan iets anders zijn die Kulturhäuser in de DDR daar de uitdrukking van. 'De lust van de mensen om elkaar te leren kennen, neemt aan beide kanten af', constateert een van de auteurs van het Kulturhausboek.

Ook in het boek zit die Duits-Duitse tegenstelling. Die Salons der Sozialisten werd geboren uit een intiatief van een Wessie - theatermaker Stephan Stroux -, die op zoek was naar potentiële speelplaatsen voor een tournee-project en die solidaire ketting van verlaten Kulturhäuser in het land ontdekte. Hij schakelde een Ossie in - Simone Hain, kunsthistorica en kenner van de DDR-architectuur -, voor een historisch onderzoek naar het fenomeen. Beiden doen ze verslag van hun ervaringen, maar elkaar hebben ze niet gevonden.

De één ontkomt niet aan het sarcasme van de overwinnaar in de geschiedenis, de ander niet aan het gewicht van haar verleden. Hij ziet op zijn ontdekkingsreis vooral lege fabrieken en een door die vervuilende industrie vernietigd landschap. 'Als het regende werd alles wit, een laag lak die zich niet liet wegwassen, sporen ervan werden tot in Canada als zodanig geïdentificeerd.' Uit haar historisch overzicht borrelt weer een oude trots op over een eens revolutionair idee, waarin de kunstenaar zijn sociale verantwoordelijkheid nam. 'Daarmee werd kunst de maatgevende morele instantie van de samenleving, wat in het westen zowel belachelijk werd gevonden als met afgunst bekeken.'

Wat in die twee Duitslanden toen nooit kon, het vinden van een derde weg, wordt hier door de fotograaf Michael Schroedter gedaan. Hij betreedt die uitgesleten paden van de Koude Oorlog niet, maar fotografeert zijn Kulturhäuser zoals ze zijn, zonder commentaar: ze waren eens indrukwekkend, waardig en imposant; ze zijn het nu, achter gesloten deuren en dichtgespijkerde ramen nog, maar hun rol is uitgespeeld.

De oude cultuurpaleizen van de DDR hebben vele gezichten. Ze spiegelden zich in hun vormgeving soms aan de kasteelarchitectuur van Potsdam, of aan de weelderigheid van een negentiende-eeuws Kurort of Gutshof. Ze wilden uitdrukken dat ook de arbeider een paleis of een adellijk buiten kon bouwen. Soms kunnen ze er ook uitzien als de fabriek, waaraan ze verbonden waren, groot als een silo.

Het hoogtepunt van de Kulturhaus-bouwwoede in de DDR bracht een neo-classicistische architectuurstijl, die zich uitte in een door zuilen gedragen klassiek front, met in het midden van de tympaan een in steen uitgehakte rode ster, gekruiste hamers of andere symbolen van de arbeid.

De DDR wilde voor zijn volkspaleizen een Duitse architectuur en geen kopie van het sovjetvoorbeeld. De Nederlandse architect Mart Stam, toen directeur van de kunstacademie in Dresden, verloor de strijd om een op het Nieuwe Bouwen gebaseerde vormgeving en moest teleurgesteld het land verlaten. De DDR ontwikkelde met dat over het hele land verspreidde neo-classicisme alleen geen nieuwe architectuur, maar greep terug op een oud voorbeeld.

Al in de negentiende eeuw ontstond, eerst in Engeland en later op het continent, het idee huizen op te richten ter verheffing van het volk. Het was zo oud als de georganiseerde arbeidersbeweging, maar speelde ook in andere hervormingsbewegingen, en kwam in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog al tot grote bloei. Aan die bouwgolf van het Weimartijdperk maakten de nazi's een einde, maar ook zij konden zich heel goed in dat ideaal van het neo-classicisme vinden. Ze namen het over in hun eigen plannen voor volkshuizen, die ze alleen soms voorzagen van een plattegrond in de vorm van een hakenkruis.

Een van de mooiste voorbeelden uit die Weimartijd is het Festspielhaus in Hellerau van de architect Heinrich Tessenow uit 1910-'12. Het werd gebouwd voor de dansschool van de danspedagoog Emile Jacques-Dalcroze, wiens ideaal was om het klassenonderscheid in gemeenschappelijke ritmiek te laten verdwijnen. Het Festspielhaus had een front als een tempel, met ervoor een groot uitgestrekt plein. Middenin dat front was in steen het Ying-Yang-teken uitgehakt. De danstempel werd een pelgrimsoord voor half sofistisch-progressief Europa. En later het grote voorbeeld voor de DDR. Het gebouw werd geannexeerd en gekopieerd, het Ying-Yang-stickertje eenvoudig door die van een rode ster vervangen.

In het boek wordt een briefje geciteerd van de afdeling Neues Leben uit Berlijn, een oproep direct na de oorlog voor de viering van Oudjaar met marionettenspel en Chinese vredesliederen. Graag, eindigt het, voor de Berliner Pfannkuchen per persoon 100 gram meel en 20 gram vet de dag tevoren bij het secretariaat afgeven.

De Salons van de Socialisten baden nog altijd, vooral in hun interieur, in die oneindige knusheid van de jaren vijftig. Het wordt nog versterkt omdat ze, nutteloos geworden, leegstaan. Ze zijn een nostalgisch droombeeld geworden van de Heimatliebe, Volkssolidarität en Völkerfreundschaft waarin de DDR is ingeslapen. Ze roepen een nieuw gevoel op, een verlangen naar de ongecompliceerde zekerheid van toen. Er waren dan wel brigadegewijs uit te voeren Kampfauftrage, maar er was geen werkloosheid. Ze zijn het symbool geworden van een heimwee naar vroeger - kennelijk zo algemeen dat het een naam heeft gekregen, Ostalgie.

Simone Hain/ Stephan Stroux: Die Salons der Sozialisten, Kulturhäuser in der DDR. Fotoessay von Michael Schroedter.

Ch. Links Verlag, Berlijn, ¿ 78,20.

Meer over