Nostalgie overvalt de romantische reiziger

DE REISSCHRIJVER is een homo nostalgicus, en dit des temeer naarmate hij bereisder en meer belezen is. Doorgaans geïnspireerd door roemruchte voorgangers die hun ervaringen te boek hebben gesteld, gaat hij op zoek naar wat hij heeft gelezen, om vervolgens tot de conclusie te komen dat de tijden zijn veranderd....

De reisschrijver is teleurgesteld, ook wanneer als gevolg van alle veranderingen de levensstandaard en medische zorg ter plaatse zijn verbeterd. Nog groter is de teleurstelling wanneer hij een plek, een aantal jaren na zijn eerste bezoek, opnieuw aandoet. Dan ervaart hij de veranderingen nog veel directer.

Neem de volgende passage, waarin reisauteur Herbert Paulzen na vijf jaar terugkeert in Ladakh, in het uiterste noorden van India. 'De schrik slaat me om het hart. De militaire installaties in de brede Indusvallei zijn gestroomlijnder. Leh is in die vijf jaar gegroeid. Op de woestijnachtige grond vóór de stad zijn nieuwe woonblokken, een modern toeristenbureau, een ziekenhuis en een radiostation gebouwd. De vaten met benzine van toen zijn vervangen door een heus benzinestation.

'Ook de stad zelf is behoorlijk veranderd: tientallen nieuwe guesthouses, hotels, restaurants, souvenirwinkels (praktisch alle bemand door Kashmiri of Tibetanen, niet door Ladakhi). (. . .) Ik had me zo verheugd op het weerzien dat ik me overweldigd voel door al die veranderingen. En de ontmoetingen die ik die eerste dagen heb, hebben me ook een beetje neerslachtig gemaakt.'

Paulzen is een ervaren reiziger en hij kent zijn reisliteratuur. Hij is zich maar al te bewust van de gevoelens van nostalgie die met het reizen gepaard gaan. Sterker: hij ontzegt zich zelfs het recht teleurgesteld te zijn over de veranderingen die hij waarneemt.

Maar hij is ook een romanticus, die als het erop aankomt zijn eigen geboden overtreedt, eenvoudigweg omdat hij niet anders kan. Want door heel zijn oeuvre, dat inmiddels zes reisboeken beslaat, loopt als rode draad een gevoel van weemoed. Soms tegen beter weten in, maar meestal gepaard aan de overtuiging dat de waargenomen veranderingen niet alleen voor hem als buitenstaander een verslechtering betekenen, maar uiteindelijk ook voor de mensen en samenlevingen die hij beschrijft.

Zeker, hij onderkent de verbetering van het onderwijs en de medische zorg en de verhoging van de welvaart, waarmee de veranderingen gepaard gaan. Maar, vraagt hij zich - soms impliciet, soms uitgesproken - af, hoe waardevol zijn die verbeteringen wanneer een opleiding in een verre stad iemand van zijn cultuur en familie doet vervreemden? Wie wordt daar gelukkiger door? En wat is de meerwaarde van die toegenomen welvaart? Dat men nu geen chang meer drinkt maar whisky, geen traditionele dansen meer uitvoert, maar tv kijkt en de oorspronkelijke kleding heeft ingeruild voor jeans?

De waarheid is waarschijnlijk dat de door de reisschrijver waargenomen ontwikkelingen merendeels noch verbeteringen noch verslechteringen zijn, maar louter veranderingen. Die veranderingen volgen echter wel allemaal hetzelfde patroon: ze verlopen allemaal richting een 'veruniversalisering' van normen en waarden. Van Ladakhi tot Yanomami, van Innuit tot Tataren, van Toeareg tot Iban en van Polynesiërs tot Zulu's, allemaal lijken ze hetzelfde te willen: een hamburger op hun bord, Coca-Cola in hun koelkast, The Bold and the Beautiful op hun televisie en een auto.

Los van de esthetische, medische en ecologische bezwaren die men hiertegen kan aanvoeren, is dit voor de reisschrijver (en de reiziger in het algemeen) een geweldige dreiging: als de wereld één grote eenheidsworst is geworden, heeft reizen, en zeker het schrijven erover, geen zin meer. De nostalgie die menige reisschrijver belichaamt, is in laatste instantie een uiting van stervensangst.

Dat je vanuit die houding niettemin levendige boeken kunt schrijven, bewijst Paulzen eens temeer met Ladakh - Een reis naar het balkon van de wereld, dat gebaseerd is op drie reizen naar dit district in de deelstaat Jammu en Kashmir, gelegen tussen het Himalaya- en Karakoramgebergte. Het eerste deel, een herschreven fragment uit Paulzens debuut Tussen goden en demonen (1986), beschrijft zijn eerste bezoek in 1983. De kern wordt uitgemaakt door een zware bergtocht met twee lokale gidsen, Sonam Tashi en Stanzing Antschuk. In het middendeel, 'Het kruis over Kashmir' (gebaseerd op een reis in 1988), is de theorie dat Christus niet aan het kruis, maar in Kashmir zou zijn gestorven, het centrale gegeven. Deel drie behandelt de actuele stand van zaken in de regio en is gebaseerd op een reis in 1996.

Zoals altijd is Paulzens onbevangen manier van omgaan met de personen die hij op zijn reizen ontmoet, een van zijn sympathiekste en vruchtbaarste trekken. Hij maakt de band die tijdens de niet geringe ontberingen in het woeste bergland tussen hem en zijn gidsen ontstaat, voelbaar, en hij weet ondanks de taalkundige en culturele barrières twee persoonlijkheden te schetsen die de dikwijls tweedimensionale 'locals' uit het gemiddelde reisboek duidelijk overstijgen. Zijn vrij uitgebreide college over religie mag wat droog zijn, daar staan talloze aardige anekdotes tegenover.

De kwalificatie 'droog' geldt overigens geenszins voor het middendeel, waarin hij uitgebreid ingaat op de theorie dat Jezus in zijn jeugd Kashmir zou hebben bezocht, en daar na zijn kruisiging (die hij overleefde) opnieuw naartoe zou zijn gevlucht. Met een juiste dosering van kritische afstandelijkheid en onbevooroordeelde nieuwsgierigheid weegt hij de argumenten van de hoogleraar Hassnain, die de Kashmir-theorie verdedigt. Wanneer hij ten slotte verzucht dat hij nooit tot een afgeronde conclusie zal komen, omdat hij nu eenmaal geen Sanskriet, Pali, Tibetaans of Oudperzisch spreekt, klinkt dat oprecht, niet obligaat.

Zijn venijn bewaart hij bij voorkeur voor zijn mede-westerlingen. Ook in dit boek zijn de toeristen de sukkels. In het gunstigste geval zijn ze tragisch: 'nirwana-ruikers', 'Hare Krishna-aanhangers uit Appelscha', om wie de oosterlingen zich rot lachen. Maar meestal betreft het gewoon cultuurarme lomperiken 'die uitsluitend reizen om thuis te kunnen vertellen over een exotische vakantie, over gekke mensen die zo raar eten en praten'.

Net als in zijn eerdere boeken schuwt Paulzen daarbij de zelfkritiek niet, bijvoorbeeld wanneer hij zichzelf tijdens een maskerfeest tussen de andere toeristen fotograferend op de eerste rij treft. 'Wiens feest is dit nu eigenlijk?', vraagt hij zich af, als hij ziet hoe de Ladakhi zelf weggepest achteraf staan.

Hans Bouman

Herbert Paulzen: Ladakh - Een reis naar het balkon van de wereld.

BZZToH; 239 pagina's; ¿ 34,50.

ISBN 90 5501 423 0.

Meer over