Nog maar acht van de honderd jaar

Jan Blokker

Gedreven en behoedzaam, dat vanmiddag met enig officieel vertoon in het Rijksmuseum ten doop wordt gehouden, is ook niet deel 1 van de biografie waar emeritus-politicoloog Hans Daalder z'n hele wetenschappelijke carrière als het ware naartoe heeft gewerkt, het is het eerst verschijnende deel. Aan de tijd van vóór 1940 wordt intussen geschreven door de historicus J.H. Gaemers.

Daalder zelf verwacht binnenkort het deel te voltooien dat helemaal aan de kwestie-Indonesië is gewijd. En ten slotte zullen Gaemaers en hij in co-productie nog de jaren behandelen van het premierschap en van de lange, lange ambtsrust waarin de gewezen staatsman tot vrijwel z'n laatste snik onvermoeibaar bezig zou blijven.

Dat kun je bijna geen biografie meer noemen. Dat heeft de afmetingen aangenomen van een project.

Misschien kon het ook moeilijk anders met een man en een loopbaan die niet zomaar een eeuw, maar de 20ste eeuw hebben bestreken, dus zeg maar gerust van de ene ramp in de andere revolutie stapten en van de ene depressie naar de volgende crisis.

Kenmerkend voor Drees, die het van 1886 tot 1988 meer dan honderd jaar uithield, is het feit dat z'n leven, bij alle opwinding van buiten de deur, ogenschijnlijk al die tijd zo 'onaangedaan', om niet te zeggen zo saai is gebleven. Niets wijst er ook op dat de 19de-eeuwse leerling van de Openbare Handelsschool in Amsterdam ooit gedroomd heeft van, laat staan gestreefd zou hebben naar een prominente rol in het openbare leven. Toen hij die niettemin ging vervullen, memoreerde z'n trotse moeder een oude oom die altijd al gezegd had: 'Wim wordt nog wel 's minister!', maar je kunt je niet voorstellen dat Drees dat zelf had durven of zelfs maar willen voorspellen.

In 1940 leek de prominentie ook nog verder weg dan ooit. Binnen de SDAP genoot hij het nodige respect. Met evenveel ijver als consciëntie deed hij bestuurswerk in allerlei socialistische clubjes en verenigingen. Hij was een hoogst betrouwbaar gemeenteraadslid in Den Haag geweest, later combineerde hij een (succesvol) wethouderschap in die stad met het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Haast geruisloos klom hij daar op tot vice-fractievoorzitter en in 1939 - toen Albarda minister werd in het kabinet-De Geer - tot eerste man.

Maar al zat hij dan een jaartje op de stoel van Troelstra, landelijk was hij amper bekend. In de rij van Colijn, Tilanus, Goseling, Romme, Albarda, Oud - mannen die het politieke toneel van voor de oorlog meer of minder domineerden - komt zijn naam niet voor.

Zou hij zonder oorlog en bezetting de legendarische Drees van ons collectieve geheugen zijn geworden?

Daalder waagt zich heel even aan iffy history als hij zich aan het eind van z'n boek (in een hoofdstuk 'Tussenstand') afvraagt wat er zou zijn gebeurd als het Drees was gelukt bijtijds naar Engeland over te steken. Of hoe hij zou zijn herinnerd als hij, ergens tussen toen en vijf jaar later, de voor de zekerheid in mei 1940 aangeschafte blauwzuurcapsule ('de beveiliging die ik heb gezocht tegen dingen die ik niet wilde') zou hebben stukgebeten.

Zulke hypothetische vragen hebben misschien alleen nut om bij terugblik iemands betekenis te kunnen wegen. Maar dan nog. Het is niet zo moeilijk om Drees' 'beperkingen' te inventariseren. Hij was geen groot, voormanachtig, visionair socialist. Hij was ook geen inspirerende leraar, of voorbeeldige theoreticus, al kende hij de socialistische klassieken op z'n duimpje. Hij was zelfs nauwelijks een politiek leider in de meest gebruikelijke zin van het woord. En het lijdt geen twijfel of het barre toeval heeft zijn carrière een stevig handje geholpen.

Het is een stuk moeilijker om Drees' specifieke kwaliteiten te onderkennen en te benoemen. En dat is precies waar Daalder op uit was en waar hij dankzij z'n zorgvuldige aanpak en vooral z'n aandacht voor ook de kleinst mogelijke feiten voor honderd procent in geslaagd is.

Die honderden, duizenden historische feiten, aan elkaar geschreven als de notulen van een lange hectische vergadering, maken Gedreven en behoedzaam er niet meteen leesbaarder op. Daalder is geen overrompelend stilist en aan smakelijke petite histoire lijkt hij een broertje dood te hebben. Zelfs een toch saillante gebeurtenis als de val in de Kostverlorenkade tijdens een stikdonkere Amsterdamse avond in de Hollandse hongerwinter, is opgetekend alsof het om een verder niet zo interessante interruptie van het Lot ging.

Maar juist de consequente afwezigheid van enige versiering maakt de inhoud van zijn betoog des te overtuigender.

Drie of vier kostbare karaktereigenschappen zorgden er in de verwarrende jaren '40-'45 voor dat Drees een vitale schakel werd in het verkeer tussen al dan niet ondergedoken fatsoenlijke Nederlanders. Hij was betrouwbaar, hij was accuraat, hij had met en voor de medemens evenveel geduld als respect en hij was de ideale voorzitter met bovendien een geheugen als een ijzeren pot (en als dat hem ooit in de steek zou laten, vond hij altijd wel een notitie terug met slangetjes: het steno van zijn jonge jaren dat hem van Buchenwald tot de Trèveszaal als mini-memoriaal zou dienen).

De hele oorlogsperiode door hield hij, ondergronds, de verboden en bijna uit elkaar gevallen SDAP bij elkaar. Als voorzitter van wat het Politiek Convent werd genoemd, werd hij de vanzelfsprekende trait d'union tussen de oude politieke partijen van het land. Later werd hij ook een sleutelfiguur in het Groot-Burger Comité, het Vaderlands Comité en de Contact-Commissie der Illegaliteit - allemaal half-illegale gremia die vooruitliepen op en alvast voorbereidingen troffen voor de consensus-samenleving die na 1945 moest worden opgebouwd en waarin Drees haast 'van nature' de eerste viool speelde. Niet omdat hij zich had opgedrongen, maar omdat iedereen het er blijkbaar over eens was dat hij geknipt was voor dat werk.

Dienstbaar, maar om de dooie dood geen knecht. Daalder 'notuleert' voorbeelden van z'n onbuigzaamheid als het om de sociaal-democratische principes ging. Anders dan tienduizenden, ook in z'n directe omgeving, wantrouwde hij van meet af aan de bedoelingen van het 'Driemanschap' der Nederlandse Unie, die bij voorbaat al tot allerlei concessies aan de Duitsers bereid waren ('die al zijn verdronken vóór ze water hebben gezien', meende hij gevat) en tussen hem en de De Quay is het ook nooit goed gekomen.

Even zuiver op de graat was zijn argwaan tegen het 'personalistisch socialisme' van de Nederlandse Volksbeweging van Schermerhorn en Banning en überhaupt tegen al die luidruchtige vernieuwers (inclusief Hare Majesteit Wilhelmina) achter wier bedoelingen hij vaak meer autoritaire dan democratische neigingen rook.

Hij verzette zich dus ook tegen een afzonderlijke politieke rol voor 'de' illegaliteit en tegen de gedachte dat het vooroorlogs geheel door iets nieuws moest worden vervangen.

Het heeft iets pikants dat Daalders eerste exemplaar vanmiddag wordt uitgereikt aan een man die zes of zeven jaar geleden z'n 'ideologische veren' heeft afgeschud. Moet Wim Kok zich, naar het mooie bijbelwoord (Rom. 12:20) niet voelen als iemand die 'vurige kolen op zijn hoofd' gestapeld krijgt als hij leest hoe Drees het bestaan van een SDAP een zegen noemde 'voor de orde in het land'?

Daalder heeft een respectabel begin gemaakt met zijn biografisch project. Natuurlijk is het op z'n zachtst gezegd onhandig dat de lezer van Gedreven en behoedzaam goeddeels moet raden naar de politieke bagage waarmee de hoofdpersoon komt binnenzeilen en natuurlijk heeft het iets geforceerds dat Indonesië überhaupt niet voorkomt in de eerste ministersjaren, terwijl er toen al geen kabinetsberaad voorbij kon gaan, of (vice-premier!) Drees moest meepraten over de Hoge Veluwe, Linggadjati en de eerste politionele actie.

Maar als op een dag de vier delen klaar zijn, valt alles misschien vanzelf op z'n plek.

Hans Daalder: Gedreven en behoedzaam - Willem Drees 1886-1988. De jaren 1940-1948.
Balans; 528 pagina's; euro 35,-.
ISBN 90 5018 615 7.

Meer over