boekrecensie

Nobelprijswinnaar Louise Glück laat opnieuw zien waarom ze tot de beste dichters van deze tijd hoort ★★★★★

Het Italiaanse Avernomeer vormt een perfecte spiegel voor de poëzie van Nobelprijswinnaar Louise Glück: rustig, helder en toch donker. Twee schitterende bundels zijn nu sober en sterk vertaald door Radna Fabias.

Geertjan de Vugt
Louise Glück Beeld Katherine Wolkoff
Louise GlückBeeld Katherine Wolkoff

Toen Louise Glück in 2020 werd bekroond met de Nobelprijs voor Literatuur, ontdekte men in Nederland een groot gemis: er was geen bundel van deze Amerikaanse dichter vertaald. Dat onrecht is nu godzijdank gecorrigeerd. Er liggen inmiddels twee uitzonderlijk mooie werken in een sobere en daardoor sterke vertaling van Radna Fabias. Wie wil afdalen in de onderwereld van familierelaties en daaruit gelouterd tevoorschijn wil komen, moet Glück lezen.

De onderwereld ligt op slechts een halfuurtje treinen van Napels. Toen ik afgelopen najaar in die Italiaanse stad was besloot ik, ter voorbereiding op het onvermijdelijke, een bezoek te brengen aan het kratermeer dat de poort tot het dodenrijk schijnt te zijn. Vanuit het boemeltreintje dat me erheen voerde, had ik zo nu en dan tussen de huizen door zicht op de zee. Nadat ik uitgestapt was op het stationnetje van Lucrino, lagen er niets dan verlaten stranden voor me; een enkele man, die een ander continent achter zich had gelaten, zwierf eenzaam over het strand met prullaria om zijn arm. Hij nam niet eens de moeite om te kijken naar de paar vreemdelingen die de trein hadden verlaten.

Aan de andere kant van het kale station voert een weggetje, de Via Italia, binnen tien minuten naar een niet al te groot meer. Je wordt er verwelkomd door een omineuze stenen tafel waarin de volgende woorden gegrift staan (hier in de vertaling van M.A. Schwartz): ‘Daar was een diepe spelonk, reusachtig en wijd gapend, met steile wanden, beschermd door een zwart meer en donkere wouden; geen vogels konden daarboven vliegend ongestraft de vleugels reppen, zulk een walm steeg op uit de zwarte mond en rees tot het hemels gewelf.’ En, direct daaronder, nog dreigender: ‘‘… ver, blijft ver, gij allen die niet zijt gewijd’, zo riep de Sibylle, ‘blijf ver van het heilige woud!’’ Toen ik van de stenen tafel naar het meer en vervolgens naar de lucht keek, zag ik dat Vergilius, uit wiens Aeneis deze woorden stammen, gelijk had. Er vlogen inderdaad geen vogels boven het meer. Het was onheilspellend stil.

Maar de zon verwarmde mijn gezicht en ik begon aan een wandeling rondom het meer. Het late herfstlicht schitterde op de donkere golven. Toen ik even stilhield om naar die dansende fonkelingen te kijken, schoten de volgende woorden van Louise Glück door mijn hoofd: ‘Dit is het licht van de herfst, niet het licht van de lente./ Het licht van de herfst: je zult niet gespaard worden.’ Glück wijdde een bundel aan deze ongrijpbare plek. Averno, dat in Amerika al in 2006 verscheen, is een hedendaags meesterwerk. Net als veel ander werk van Glück biedt de bundel een eigenzinnige omwerking van klassieke mythologie, doorgetrokken naar het heden, met daarin aandacht voor wat het betekent om vrouw te zijn.

Dood noch levend

Misschien schuilt er in iedere vrouw een Persephone. In elk geval is het deze godin van de onderwereld en opmerkelijk genoeg ook van de lente met wie Glück zich in Averno identificeert. Een slachtoffer van mannelijk geweld, dat is Persephone ook, want zij werd door Hades op zijn wagen getrokken en diep in een kloof in de aarde gesleurd de duisternis tegemoet (begint niet iedere ontstaansmythe met geweld tegen vrouwen?). ‘Het doet me geen deugd; het geweld heeft mij veranderd’, schrijft Glück dan ook, ‘Mijn lichaam is koud geworden als de geplunderde velden’.

Persephone werd weliswaar door toedoen van Zeus, haar vader, vrijgelaten, maar toch ook niet helemaal: ieder jaar moet zij na de lente en zomer zes maanden lang terug naar de onderwereld. Een kil gegeven waarvoor Glück passend kale bewoordingen heeft gevonden: ‘Vertel me dat dit de toekomst is,/ ik zal je niet geloven. /Vertel me dat ik leef,/ ik zal je niet geloven.’ Maar dood is ze evenmin: ‘de dood kan mij niet schaden/ niet meer dan jij mij hebt geschaad,/ mijn geliefde leven.’ Met Persephones ontvoering naar de onderwereld, met die ‘mysterieuze/ mislukte dood’, zoals Glück dat in een ander gedicht noemt, werden de seizoenen geboren.

null Beeld Martyn F. Overweel
Beeld Martyn F. Overweel

Critici hebben vaker gewezen op het ijzingwekkende karakter van Glücks taal, al betwijfel ik of die kenschets terecht is. Precies, dat zijn haar woorden wel, haar beelden trefzeker. Ook in Averno zijn de regels van een opvallende soberheid, zoals haast alle verzen van Glück dat zijn. In die zin doet de vertaling van Radna Fabias zeker recht aan deze verzen. Ze kiest weliswaar soms een andere regelafbreking (die bij Glück nochtans zeer nauwkeurig komen), maar blijft terecht dicht bij het origineel.

Verwacht bij Glück geen vergezochte constructies, geen trits neologismen, geen grappigdoenerij en ook geen overdreven beelden. Staand voor het meer begreep ik wel waarom ze voor het Lago d’Averno koos. Het vormt een perfecte spiegel van haar poëzie: rustig, stil, rond, meditatief, weerspiegelend, helder en toch donker: onder het oppervlak dreigt voortdurend de duisternis. Niet echt een plek voor zomervogels dus.

Familiaire dreiging

Ooit kocht ik in New York Glücks kloeke verzamelbundel waarin een halve eeuw poëzie is bijeengebracht, waaronder Averno en het adembenemende The Wild Iris, de bundel uit 1992 die alom als haar beste wordt beschouwd. Op het omslag van Poems 1962-2012 prijkt een mezzotint van de planeet Saturnus. Een bijzonder treffend beeld, zo realiseerde ik me bij het lezen van Averno opnieuw. Niet alleen vormt deze planeet het symbool voor de melancholie, onder die naam gaat ook nog eens een oervader schuil die zijn eigen kinderen verscheurt. Kortom, Saturnus staat ook voor familiaire dreiging.

Die dreiging is overal waar te nemen in Glücks poëzie; zeker niet alleen van vaderszijde. Haar verzen, van de allereerste tot de recentste, gaan over donkere familierelaties. Over het geweld van ouders tegen kinderen en omgekeerd. In ‘Persephone de zwerver’ lezen we:

In de eerste versie, wordt Persephone
van haar moeder afgepakt
en de godin van de aarde
straft de aarde – dit klopt
met wat we weten over menselijk gedrag,
dat mensen diepe voldoening halen
uit het kwaad doen, in het bijzonder
onbewust kwaad doen

Moeders die moeders straffen, moeders die dochters pijnigen, verwaarloosde kinderen, dode kinderen, onmachtige ouders – Glück heeft een naam voor al deze familierelaties: ‘we kunnen dit’, schrijft ze, ‘negatieve schepping noemen.’ Deze concluderende geste is typisch voor Glück. Zij is een dichter die uit het persoonlijke algemene wetten destilleert. Als er een kern is waarom alle gedichten van Glück lijken te draaien, is het wel die van de negatieve schepping, het zwarte gat dat een familie onvermijdelijk ook is. Ieder mens leeft uiteindelijk aan de rand van een Avernomeer. En hoop, merkt ze op in een ander gedicht, hoef je van een kunstenaar niet te verwachten.

Of ze dat werkelijk meent? Misschien. Een knipoog naar Dante, die ‘er is geen hoop voor wie hier binnentreden’ boven de poorten van de hel noteerde, is het zeker. Hoe dan ook belooft de titel van haar recentste bundel, Winterrecepten van het collectief, toch op z’n minst warmte of troost. De warmte van voedsel in de winter en de behaaglijkheid van een gemeenschap. Het boek verscheen een jaar nadat Glück de Nobelprijs in ontvangst had genomen. Zo’n boek vormt een notoir lastige opgave. Maar met Winterrecepten toont ze opnieuw waarom ze tot de allerbeste dichters van deze tijd hoort.

Ontroerend, verstillend, groots

In ‘De ontkenning van de dood’, een serie van twee lange gedichten, verhaalt Glück opnieuw over een reis naar een meer, hoe ze die samen met een ‘jij’ zou maken en hoe ze uiteindelijk alleen in de herberg achterblijft – ze had haar paspoort laten liggen. Ze wordt getroost door een conciërge: ‘Niet verdrietig zijn, zei hij. Je bent aan je eigen reis begonnen,/ niet de wereld in, zoals je vriend, maar naar jezelf en je herinneringen.’ Als ze op een dag haar paspoort – ‘Daar waar mijn gezicht, of wat mijn gezicht geweest was’ – in zee gooit, zinkt haar vorige leven de diepte van ‘het lege water’ in. Vervolgens loopt ze met de conciërge rond het meer:

Ik zie, zei hij, dat je niet langer
je vorige leven wenst te hervatten,
dat wil zeggen: bewegen, in een rechte lijn zoals de tijd
het ons voorstelt, maar liever (hier gebaarde hij naar het meer)
in een cirkel die streeft naar
de onbeweeglijkheid in de kern der dingen,
hoewel ik liever denk dat het ook op een klok lijkt.

Aan de oevers van het meer ontdekt de dichter dat wat ze zoekt niet een toegang tot de onderwereld is, maar de opheffing van de dood. Hoe vaak is er wel niet over het verlangen naar onsterfelijkheid geschreven, in pompeuze woorden, en hoe zelden is dat zo ontroerend, verstillend, klein en toch groots gedaan als door Glück? Dit is de reden waarom je haar poëzie wilt lezen, altijd maar meer.

Ook ik deed wat Glück moet hebben gedaan en in bovengenoemd gedicht doet: ik omcirkelde het Avernomeer. Een uur, hooguit anderhalf uur heb je nog nodig om terug te keren tot het beginpunt. Al een eindje over de helft stuitte ik op een bordje: Grotta del Bagno della Sibilla. Niet door een duik onder de waterspiegel van het meer daalde Aeneas naar de onderwereld af, maar door deze smalle grot die verstopt ligt in een dicht bos. Die middag in oktober volgde ik het kronkelende paadje naar de grot. Al snel stond ik voor een roestrode poort. Er was geen beweging in te krijgen. Later vernam ik dat de oude Carlo, de man die de grot beheerde en er tevens rondleidingen verzorgde, ernstig ziek was. De poort naar de onderwereld blijft dus nog wel even gesloten. Geen mens – gewijd of ongewijd – die er iets te zoeken heeft.

Louise Glück: Averno. Uit het Engels vertaald door Radna Fabias. De Arbeiderspers; 144 pagina’s; € 22,50. ★★★★★

null Beeld De Arbeiderspers
Beeld De Arbeiderspers

Louise Glück: Winterrecepten van het collectief. Uit het Engels vertaald door Radna Fabias. De Arbeiderspers; 80 pagina’s; € 20. ★★★★★

null Beeld De Arbeiderspers
Beeld De Arbeiderspers
Meer over