'Nieuws wordt Russisch roulette'

Niet alleen een burn-out deed Howard Rosenberg besluiten te stoppen als tv-recensent bij de Los Angeles Times. Het was ook de bloedarmoede van de programma's....

Howard Rosenberg was 25 jaar lang televisiecriticus van de Los Angeles Times en kreeg voor zijn werk de Pulitzerprijs. Een jaar geleden ging hij met pensioen. Zijn beste columns zijn nu gebundeld in een boek:

Not so prime time. Chasing the trivial on American television (Ivan R. Dee publishing; ISBN 1 56663 577 2).

Rosenberg (66) wil het liefst door de telefoon worden geïnterviewd. Hij woont 40 kilometer buiten Los Angeles en bovendien kan hij daarna meteen weer aan de slag. Hij mag dan gestopt zijn bij de Los Angeles Times, hij heeft nog altijd een baan als docent ethiek en filmkritiek aan de universiteit. 'Maar door de telefoon praat ik zo veel u wilt.' Dat doet hij dan ook: eindeloos uitwijdend, grappen makend en zichzelf onderbrekend: 'God, nu ben ik alweer aan het preken. Wat saai!'

Preken doet Rosenberg inderdaad graag. Niet voor niets werd hij jarenlang het geweten van de televisie genoemd. Luie, ongeïnspireerde en principeloze televisiemakers kregen er in zijn subliem geschreven columns ongenadig van langs. Het kwam misschien hard over, zegt hij, maar als je je medium serieus neemt, moet je streng durven zijn. 'Als ik iets haat, is het de uitspraak: ”Niet slecht voor tv.” Televisie is in mijn ogen niets minder dan welke kunstvorm ook, dus waarom zou ik een slecht programma minder hard aanpakken dan een slechte film of roman?'

Na een kwarteeuw foeteren zette hij er vorig jaar een punt achter. Al die tijd hadden de vier televisietoestellen in zijn huis dag en nacht aangestaan, en bleven de videorecorders draaien. Het resultaat was een burn-out die hem noopte het rustiger aan te gaan doen. Televisiekijken doet hij nog wel, maar alleen naar dingen die hij echt leuk vindt, zoals herhalingen van Seinfeld.

Er was nóg een reden om te stoppen: de bloedarmoede waaraan de Amerikaanse televisie alweer een poosje lijdt. Vooral de reality-rage, die in de VS nu pas goed op gang komt, was meer dan hij kon verdragen. 'Ten eerste geloof ik eigenlijk niet in dat hele reality-concept. Die term klopt niet. Niemand die op tv komt, is echt. Zet maar eens een camera op je gezicht en kijk hoe echt je bent. Maar afgezien daarvan: ik vind die shows gewoon ontzettend saai. Ik kan er niet naar kijken. En ze lijken ook allemaal op elkaar. Er heerst een gebrek aan creativiteit in de industrie die doet denken aan de tijden van de quizshows, eind jaren vijftig.'

Niet dat hij op zich niet kan genieten van slechte televisie. Het geestigste hoofdstuk in zijn boek heet Trash, you rock en is gewijd aan televisie die zo slecht is dat het weer leuk wordt. Denk aan de laatste aflevering van Dynasty of die vreselijke miniserie over Helena van Troje. Maar reality ontsnapt zelfs aan deze categorie, schatert hij: 'Het gaat verder dan dat. Het is slechter dan slechter dan slecht, hahaha.'

Daar kunnen de Paul Römers en de Reinout Oerlemansen van deze wereld het mee doen. Maar gelukkig voor hen gaat het gros van Rosenbergs stukken niet over amusementsprogramma's. Zijn stokpaardje is het televisienieuws, en de ethische dilemma's die ermee gepaard gaan.

Wat hem de afgelopen vijftien jaar het meest heeft gestoord, is de versmelting van serieuze en tabloidjournalistiek. Dat de roddelrubrieken prominent aandacht besteden aan de processen tegen Michael Jackson en basketballer Kobe Bryant, vooruit. Maar Rosenberg kan er nog steeds niet over uit dat ook serieuze nieuwsprogramma's ermee openen. Wat zouden CNN en Fox News hebben gedaan als Michael Jackson en Saddam Hoessein in 2003 op dezelfde dag waren opgepakt?, vraagt hij zich in zijn boek af. Antwoord: waarschijnlijk zouden ze het scherm in tweeën hebben gesplitst om de twee verhalen rechtstreeks te kunnen verslaan.

En dat is nog zoiets: die obsessie met live verslaggeving. 'Begrijp me goed, af en toe is live televisie geweldig. We weten hier in Californië allemaal hoe goed het werkt bij rellen, bosbranden, aardbevingen of een echt breaking news-verhaal. Maar je ziet nu dat zenders iets live brengen omdát het live is. Alsof live per definitie iets opwindends zou zijn. Je hoort presentatoren nu al zeggen: ”En nu live vanuit de studio...” Wat is het alternatief? Dat iemand dood in de studio zit?'

Het zijn onschuldige voorbeeldjes, maar de hysterische jacht op live nieuws heeft ook serieuzere gevolgen, waarschuwt Rosenberg. Niet alleen wordt de privacy van burgers geschonden door journalisten die met een camera in hun gezicht staan te zwaaien, door alles meteen maar in de ether te gooien, halen zenders ook het vangnet weg dat verantwoordelijke media behoren in te bouwen. 'Het is als een krant die de aantekeningen van een verslaggever publiceert zonder ze te checken. Zo wordt nieuws Russisch roulette.' Soms draait het daar letterlijk op uit. Het voorbeeld dat hij altijd aanhaalt voor zijn studenten is dat van een uit de hand gelopen achtervolging in 1998. Het was een van die uit helikopters gefilmde kat-en-muisspelletjes waar de kijkers in Californië dol op zijn. Maar dit keer liep de zaak niet met een sisser af: de verdachte trok een pistool en schoot zichzelf op bloedige wijze door het hoofd. Live voor een publiek dat vanwege het vroege tijdstip voornamelijk bestond uit kinderen. Rosenberg: 'Het excuus van de zenders was later: ”Ja, maar we wisten niet wat er zou gaan gebeuren.” Nee, dat is ook precies het punt: dat je dat dus niet weet.'

Niet dat Rosenberg hiermee een pleidooi houdt voor het censureren van schokkende beelden. Vaak zou televisie juist meer moeten laten zien, vindt hij. Hij was voor het uitzenden van de beelden van mensen die uit de WTC-torens sprongen op 11 september. Hij is voor het vertonen van gruwelijke oorlogsbeelden (onthoofdingen vindt hij een grensgeval). Hij was - hoewel zelf tegenstander van de doodstraf - voor het uitzenden van de executie van Oklahoma-bommengooier Timothy McVeigh. En hij vindt dat camera's thuishoren in de rechtszaal. 'Dat soort beelden vertellen een verhaal dat op geen enkele andere manier kan worden verteld. Laat mensen die executies maar zien, en kijk dan eens of ze er nog steeds voor zijn.'

Televisie kán mensen de ogen openen, zegt Rosenberg, maar doet dat veel te weinig. Meestal gebeurt het omgekeerde, en worden de kijkers dom gehouden. Neem de manier waarop de Amerikaanse media ook dit jaar weer de Olympische Spelen versloegen.

'Het was alsof de andere landen niet meededen. Het was Amerika voor en Amerika na. Als je niet beter wist, zou je denken dat wij daar alle medailles hebben weggekaapt. Ik weet dat het in andere landen ook gebeurt, maar ik vind het niet kunnen.'

En in een wat breder perspectief: kijk eens hoe het buitenlandse nieuws wordt gecoverd. 'Amerikanen zijn zo enorm etnocentrisch. Deels vanwege onze geografie, en deels omdat we de machtigste natie op aarde zijn. We weten niets over de rest van de wereld. Neem de Fransen. We kennen de Eiffeltoren en de Champs Elysées, maar daar houdt het mee op. Sommige mensen vinden het nu leuk om John Kerry minachtend een Frenchie te noemen. Beseffen ze niet welke rol de Fransen hebben gespeeld bij onze onafhankelijkheid?

'Of de Nederlanders! Wanneer horen we hier ooit iets over Nederland? Misschien als alle dijken doorbreken of alle tulpen doodgaan, haha.'

Het zijn dingen die heel moeilijk te veranderen zijn, beseft Rosenberg na 25 jaar televisiekritiek maar al te goed. 'De invloed van critici is nihil, dat hoeft u mij niet te vertellen. Maar het zou al een begin zijn als we onze kinderen op jonge leeftijd wat mediakennis zouden bijbrengen. Als ze leren wat ze te zien krijgen en waarom, lopen ze minder kans later te veranderen in passieve couch-potatoes.'

Bespeuren we daar dan toch een sprankje hoop voor de toekomst? 'Haha, hoorde u mij dat zeggen? Er is nooit hoop, meneer.'

Meer over